Wilde zwaan

Cygnus cygnus

Log in om deze soort toe te voegen

De Wilde zwaan (Synoniem: Grote Wilde zwaan, Whooper zwaan) behoort tot het geslacht Cygnus binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

De wilde zwaan is een grote vogelsoort die voornamelijk in het boreale gebied van Eurazi� voorkomt en migreert naar zuidelijk Europa en oostelijk Azi�. Ze bevoreren habitats zoals wetlands, meren en rivieren met af en toe emergente vegetatie. Deze vogels zijn krachtige vliegers en paaien voor het leven. Ze zijn socialer en worden vaak gezien met hun cygnets, die bij hen blijven tot het volgende broedseizoen.

Wilde zwaan
Whooper Swan
Singschwan
Cygne chanteur

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Cygnus

Ringmaat

Man 27.0 mm Vrouw 27.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een zeer grote zwaan met een volledig wit verenkleed. De lange hals wordt meestal rechtop gedragen. Het meest kenmerkende veldkenmerk is de lange, rechte snavel die geel is aan de basis en zwart aan de punt; de grens tussen geel en zwart is meestal recht afgesneden. De poten zijn zwart en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje, maar gemiddeld iets kleiner en slanker gebouwd. De verhoudingen van snavel en nek zijn hetzelfde, al kan het gele deel van de snavel iets kleiner zijn. De poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn grijsbruin van kleur, vaak met een bruinige kop en nek. De buik en ondervleugels zijn lichter grijswit. Naarmate ze ouder worden, verkleuren ze naar volledig wit. De snavel is grijsgeel met een donkere punt, later geleidelijk verkleurend naar geel-zwart. De poten zijn vleeskleurig tot grijs en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donsachtig lichtgrijs aan de bovenzijde en witachtig aan de onderzijde. De snavel is klein en grijs, de poten zijn vleeskleurig en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 251
  • Tijdschrift 227