Dubbelhoornige neushoornvogel

Buceros bicornis

Log in om deze soort toe te voegen

De Dubbelhoornige neushoornvogel behoort tot het geslacht Buceros binnen de familie van Neushoornvogels (Bucerotidae).

Deze imposante vogel, vaak bekend als de grootste neushoornvogel van Azi�, leeft in dichte, oude regenwouden van India tot Zuidoost-Azi�, waaronder de Himalaya, Sumatra en het vasteland van Thailand en Cambodja. Hij is sterk afhankelijk van grote, ongerepte bosgebieden met hoge, uitstekende bomen voor nestelen. Overwegend fruiteter, eet hij ook kleine dieren; paartjes broeden in een dichtgemetseld boomhol, waarbij het mannetje het vrouwtje en de jongen voedsel brengt tijdens de nestperiode. Deze soort speelt een belangrijke ecologische rol als zaadverspreider en leeft vaak tientallen jaren.

Dubbelhoornige neushoornvogel
Great Hornbill
Doppelhornvogel
Calao bicorne

Taxonomische indeling

Bird Order
Neushoornvogels (Bucerotiformes)
Bird Family
Neushoornvogels (Bucerotidae)
Bird Genus
Buceros

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Neushoornvogels

Neushoornvogels zijn middelgrote tot grote tropische bosvogels, herkenbaar aan hun grote snavel met hoornachtige “casque”. Ze leven paarsgewijs of in kleine groepen en hebben in de avicultuur behoefte aan ruime, goed beplante volières met nestgelegenheid, schaduw en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (20–30 m² per koppel, 3–4 m hoog) met hoge zitstokken, dichte beplanting en open vliegzones; droog, tochtvrij binnenverblijf aanwezig; nestkast of boomstam met diepe broedholte (50–80 cm) en smalle opening geschikt voor dichtmetselen.
  • Klimaat: tropisch; temperatuur boven 22 °C, luchtvochtigheid 60–80%; verwarmd binnenverblijf vereist in koude klimaten; goed geventileerd maar zonder tocht.
  • Sociaal: leven in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – aparte verblijven aanbevolen; voorzichtigheid bij gemengde huisvesting vanwege mogelijke agressie.
  • Voeding: zachtvoer voor fruiteters met vers fruit (banaan, papaja, peer, druiven); aanvullen met insecten, kleine knaagdieren of eieren; in kweek extra dierlijk eiwit; geen citrus of gefermenteerd voer; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: nestkasten regelmatig reinigen; beschutting tegen zon en regen; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen neushoornvogels

Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit verenkleed met een glanzende zwarte kop en nek. De borst en buik zijn helder wit, wat sterk contrasteert met de donkere vleugels. De vleugels hebben brede witte banden die duidelijk zichtbaar zijn tijdens de vlucht. De snavel is groot en geel met een prominente, tweedelige hoornachtige structuur. De naakte huid rond de ogen is levendig blauw, en de iris is rood. De poten zijn donkergrijs en hebben een robuuste structuur.

Vrouw:
De vrouw lijkt op de man, maar heeft een iets kleinere snavel en hoorn. Haar verenkleed is minder glanzend, met een matte afwerking op de zwarte delen. De witte delen van het verenkleed zijn iets minder helder dan bij de man. De iris is wit, wat een opvallend contrast vormt met de blauwe oogring. De poten zijn vergelijkbaar in kleur en structuur met die van de man. De naakte huid rond de ogen is ook blauw, maar iets minder intens.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met minder uitgesproken contrasten tussen zwart en wit. De snavel is kleiner en mist de volledig ontwikkelde hoornstructuur. De naakte huid rond de ogen is bleker blauw en de iris is donkerbruin. De vleugels vertonen minder duidelijke bandering en de veren zijn vaak versleten. De poten zijn lichter grijs en minder robuust dan bij volwassenen. De kop en nek zijn minder glanzend en hebben een matte afwerking.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijsachtig dons. Hun snavel is klein en geelachtig zonder hoorn.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 226