Vogel
Eidereend (Faeroe)
Eidereend (Faeroe)
Somateria mollissima faeroeensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Eidereend (Faeroe) behoort tot het geslacht Somateria uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze eendensoort komt voor op de Faeroer-eilanden en broedt in kustgebieden met rotsachtige en open landschappen. Ze leeft vooral in mariene omgevingen en voedt zich met schelpdieren en kleine zeedieren. Het is een sociale vogel die in groepen rust en tijdens de broedtijd beschermend gedrag vertoont.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Somateria
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een forse zee-eend met een overwegend wit verenkleed op rug, flanken en buik, contrasterend met een zwarte buik, achterrug, staart en vleugelpunten. De kruin, nek en borst zijn zwart, terwijl de wangen en nek zijdelings witachtig tot bleekgroen getint zijn. In vergelijking met de nominaatvorm (S. m. mollissima) is het verenkleed vaak iets grijzer en de lichaamsbouw robuuster. De snavel is zwaar en olijfgeel van kleur, de poten zijn groenachtig grijs en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is warm bruin met een fijn gebandeerd en gevlekt patroon over het hele lichaam, ideaal als camouflage op het nest. Ze is gemiddeld groter en donkerder dan vrouwtjes van de nominaatvorm, met een meer contrastrijke bandering. De snavel is grijsbruin, de poten zijn grijsgroen en de iris donker.
Juveniel:
Juvenielen zijn egaler bruin en minder contrastrijk gebandeerd dan volwassen vrouwtjes. Ze tonen een vuilbruine borst en een grijzere rug met lichte veerranden. De snavel is grijs, de poten zijn doffer grijsbruin en de iris donker. Jonge mannetjes ontwikkelen pas na het eerste jaar het witte en zwarte verenkleed.
Kuiken:
De kuikens zijn donzig donkerbruin aan de bovenzijde en vuilwit tot geelachtig aan de onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.