Kleinst waterhoen

Zapornia pusilla

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleinst waterhoen behoort tot het geslacht Zapornia binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).

Deze kleine, schuwe watervogel broedt voornamelijk in riet- en zeggevelden verspreid over Oost-Europa en het Palearctisch gebied. De soort is migrerend en overwintert in Oost-Afrika en Zuid-Azi�. Hij voedt zich met insecten en kleine waterdieren, die hij opvist door in modder of ondiep water te zoeken. Tijdens het broedseizoen is hij met zijn karakteristieke ratelende roep het meest actief en vindbaar.

Kleinst waterhoen
Baillon's Crake
Zwergsumpfhuhn
Marouette de Baillon

Taxonomische indeling

Bird Order
Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
Bird Family
Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
Bird Genus
Zapornia

Ringmaat

Man 3.5 mm Vrouw 3.5 mm

Welzijnsadviezen

Rallen en koeten

Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
  • Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
  • Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Huisvestingsrichtlijnen Rallen Koeten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een overwegend olijfbruine rug met een subtiele groene glans. De kop en nek zijn donkergrijs, contrasterend met de kastanjebruine borst. De buik is lichter grijs met fijne, witte dwarsbanden. De vleugels tonen een mix van bruine en grijze veren met lichte randen. De snavel is kort en geelgroen met een rode basis. De poten zijn groenachtig met een gladde textuur. De iris is roodbruin, omgeven door een dunne, grijze oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken kleuren. De rug is doffer bruin zonder de groene glans. De kop en nek zijn lichter grijs, bijna neigend naar beige. De borst is minder kastanjebruin en meer grijsachtig. De buik heeft dezelfde witte dwarsbanden, maar minder contrasterend. De snavel is iets bleker geelgroen met een minder opvallende rode basis. De poten zijn lichtgroen met een matte afwerking. De iris is donkerbruin met een subtiele grijze oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met een vage, olijfkleurige tint. De kop en nek zijn lichtbruin met een onopvallende grijze waas. De borst is vaalbruin zonder de volwassen kastanjekleur. De buik is lichtbruin met nauwelijks zichtbare dwarsbanden. De vleugels zijn egaal bruin met lichte, versleten randen. De snavel is bleekgroen zonder rode basis. De poten zijn geelachtig met een ruwe textuur. De iris is donkergrijs met een nauwelijks zichtbare oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zwart dons en hebben een opvallend witte buik. De snavel is kort en geelachtig.