Eidereend (europese)

Somateria mollissima mollissima

Log in om deze soort toe te voegen

De Eidereend (europese) behoort tot het geslacht Somateria uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

De eider, ook bekend als de eidereend, is een opvallend grote en forse zee-eend die vooral langs de noordelijke kusten van Europa en de lage landen te vinden is, met in Nederland een duidelijke concentratie in het Waddengebied. Deze vogel leeft vrijwel uitsluitend in zilte kustgebieden, zoals wadden, kwelders en lage duinen, en broedt vaak in losse kolonies op de grond, verscholen in de vegetatie en rijkelijk bekleed met dons uit het eigen verenkleed. Het voedsel bestaat vooral uit schelpdieren, die met de krachtige snavel worden geopend, en het vrouwtje zorgt na het uitbroeden alleen voor de jongen, die vaak in groepen ('crèches') samenkomen. Het mannetje is herkenbaar aan zijn zwart-witte veren, terwijl het vrouwtje een bruin schutkleed heeft.

Eidereend (europese)
Common Eider (European)
Eiderente
Eider à duvet (Europe)

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Somateria

Ringmaat

Man 13.0 mm Vrouw 13.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje heeft een wit-zwart verenkleed met een subtiele groene waas op de achterzijde van de kop en nek. De borst en rug zijn helderwit, terwijl de buik, flanken en onderstaart zwart zijn. De kruin is zwart, contrasterend met de witte kop en hals. De snavel is hoornkleurig tot geelachtig, met minder ver doorlopende snavellobben dan bij de ondersoort dresseri. De poten zijn grijsgroen en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje heeft een overwegend bruin verenkleed met een fijne donkere bandering, ideaal voor camouflage tijdens het broeden. In vergelijking met dresseri is ze gemiddeld iets lichter en kouder bruin van tint, minder kastanjebruin. De snavel is grijsgelig tot bruin, de poten grijsgroen en de iris donkerbruin.

Juveniel:
Juvenielen lijken op het vrouwtje, maar hebben een egaler bruin kleed met grovere bandering. Jonge mannetjes beginnen vanaf hun eerste winter witte veren op borst en rug te ontwikkelen, waarna geleidelijk het volwassen zwart-witte kleed verschijnt.

Kuiken:
De kuikens zijn aan de bovenzijde donkerbruin en aan de onderzijde lichtgrijsbruin tot beige. De snavel is kort en donkergrijs, de poten zijn grijsgroen en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 151
  • Tijdschrift 264