Grauwe gans (oostelijke)

Anser anser rubrirostris

Log in om deze soort toe te voegen

De Grauwe gans (oostelijke) behoort tot het geslacht Anser uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze ondersoort van de grauwe gans is vooral te vinden in het gebied rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Ze nestelen in dichte vegetatie, zoals riet en struiken. Deze vogels zijn gedeeltelijk sedentair maar kunnen ook migreren. Ze bewonen voornamelijk natte gebieden, zoals moerassen en rivierdelta's, waar ze zich voeden met grassen en andere vegetatie. Ze vormen grote groepen en zijn bekend om hun luide geluiden.

Grauwe gans (oostelijke)
Gray Goose (Eastern)
Graugans (Ost)
Oie cendr�e (orientale)

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anser

Ringmaat

Man 20.0 mm Vrouw 20.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje heeft een grijsbruin verenkleed met lichtere, zandkleurige flanken en een witte buik. De hals en kop zijn bruingrijs, de borst lichtbruin tot zandkleurig. De vleugels zijn donkergrijs met lichtere dekveren, en de staart is grijs met een witte rand. Opvallend kenmerk van deze ondersoort is de roze tot rozerode snavel, slanker en langer dan bij de andere ondersoort. De poten zijn eveneens roze en de iris is donkerbruin. Deze ondersoort oogt gemiddeld wat lichter en slanker dan de westelijke vorm.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje en moeilijk te onderscheiden in het veld. Zij is gemiddeld iets kleiner en fijner van bouw. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter grijsbruin en missen de duidelijke contrasten van de volwassen vogels. De snavel is dof grijsroze met een donkere nagel, later verkleurend naar rozerood. De poten zijn vleeskleurig tot grauwroze en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn geel donsachtig aan de onderzijde, met een olijfbruine bovenzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.