Wintertaling (amerikaanse)

Anas crecca carolinensis

Log in om deze soort toe te voegen

De Wintertaling (amerikaanse) (Synoniem: Groenvleugeltaling, Amerikaanse wintertaling) behoort tot het geslacht Anas binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Dit kleine eendje, bekend als de Amerikaanse wintertaling, komt oorspronkelijk voor in Noord-Amerika en trekt ook wel als dwaalgast naar Europa. Het is vooral te vinden in ondiepe wateren van moerassen, plassen en meren, waar het foerageert op zaden, waterplanten en kleine waterdieren. In het voorjaar vormen koppels zich pas laat, waarna het vrouwtje een nest met 6-9 eieren maakt. Deze soort is vrij schuw, maar in de broedtijd soms territoriaal; buiten de voortplanting leeft hij vaak in groepen. Het mannetje valt op door een kastanjebruine kop met groene plek rond het oog, het vrouwtje is meer onopvallend bruin. Kenmerkend zijn de relatief kleine omvang en het snelle, wendbare vlieggedrag.

Wintertaling (amerikaanse)
American Green-winged Teal
Amerikanische Krickente
Sarcelle d�hiver am�ricaine

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anas

Ringmaat

Man 6.5 mm Vrouw 6.5 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een opvallende iriserend groene oogvlek die vanaf het oog tot in de nek doorloopt en zwart omlijst is. De borst is lichtbeige met donkere vlekjes, de flanken zijn grijs, de buik vuilwit en de stuit zwart met een witte verticale streep aan de zijkant (flankstreep). De vleugels hebben een iriserend groene speculum, afgezet met zwart en beige. De snavel is zwart, de poten zijn grijs en de iris donker.

Vrouw:
Het vrouwtje is overwegend bruin met een fijn gevlekt en geschubd patroon, een donkere oogstreep en een lichtere wenkbrauwstreep. De groene speculum is aanwezig maar minder fel dan bij het mannetje. De snavel is donkergrijs tot zwart, de poten zijn grijs en de iris donker.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op vrouwtjes, maar zijn egaler bruin en grijzer van toon. Jonge mannetjes ontwikkelen in hun eerste herfst de kastanjebruine kop en de groene oogvlek. De snavel is zwartgrijs, de poten vleeskleurig tot grauwgrijs en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde en geelachtig tot vuilwit aan de onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichte wangen en een lichte kinvlek. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 273
  • Tijdschrift 260
  • Tijdschrift 259
  • Tijdschrift 189
  • Tijdschrift 183