Vogel
Kivu toerako
Kivu toerako
Gallirex johnstoni kivuensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Kivu toerako behoort tot het geslacht Gallirex uit de familie van Toerako's (Musophagidae).
Deze vogel komt voor in de hooglanden van Oost-Congo, Rwanda, Burundi en zuidwestelijk Oeganda. Het leeft in montane bossen en aangrenzende vegetatie. Het is een vruchteneter en wordt vaak in paren aangetroffen, maar vormt groepen bij fruitbomen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Toerako's (Musophagiformes)
- Bird Family
- Toerako's (Musophagidae)
- Bird Genus
- Gallirex
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Toerako's
Toerako’s zijn middelgrote, bos- / savanevogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met vlieg- en klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag
- Huisvesting: ruime volière (5–10 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) met vlieg- en springmogelijkheden, beplanting en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
- Klimaat: van nature tropische omstandigheden (maar ook met lage nachttemperaturen; temperatuur bij voorkeur boven 0 °C, in winter een vorstvrij of licht verwarmd binnenverblijf.
- Sociaal: uitsluitend houden in paren.
- Voeding: (ijzerarm) zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en minimalehoeveelheid insecten; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Wetgeving(en)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
Deze vogelsoort wordt wereldwijd beschouwd als een (bijna) bedreigde soort in het oorspronkelijke leefgebied, of de handel in deze soort kan hiertoe leiden.
Deze soort staat daarom op Bijlage B van de Europese Verordening en CITES appendix II.
Binnen de avicultuur (in volière-milieu) mag deze soort alleen worden gehouden, gefokt of verhandeld als de legale herkomst kan worden aangetoond. De lidstaten aangesloten bij het CITES-verdrag (Convention on International Trade in Endangered Species of wild flora and fauna) hebben internationale regels opgesteld die het houden, fokken en verhandelen van deze dieren onder strikte voorwaarden mogelijk maakt.
In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.
De houder de dient legale herkomst van de vogel aan te tonen:
- De vogel is voorzien van een uniek merkteken. In het geval van vogels is dit een naadloos gesloten pootring die bij een volwassen vogel niet meer van de poot kan worden verwijderd.
- Bij elke overdracht dient een herkomstverklaring/ overdrachtsverklaring te worden opgemaakt en ondertekend door de afgevende en ontvangende partij.
- Let op: bij controle dienen ook gegevens van de ouderdieren én grootouderdieren getoond te kunnen worden.
Man:
Het mannetje is een middelgrote loerie van circa 40 cm lengte. Het verenkleed is voornamelijk glanzend groen, met een blauwgroene zweem op rug en vleugels. De borst en buik zijn diepgroen tot geelgroen, terwijl de onderstaartdekveren roodachtig kastanjebruin zijn. De vleugels tonen karmozijnrode slagpennen die in vlucht fel contrasteren. De kop draagt een korte, opgerichte kuif die groen is en aansluit bij de kruin. De ogen zijn oranjerood tot rood, omgeven door een brede naakte huidring die intens rood kleurt. De snavel is stevig, kort en helder oranje tot rood. De staart is vrij lang en trapvormig, donkergroen met een subtiele blauwe glans. De poten zijn donkergrijs tot zwart.
Vrouw:
Het vrouwtje is nauwelijks te onderscheiden van het mannetje. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif is vaak minder uitgesproken. De kleuren van snavel en oogring zijn identiek, hoewel soms iets minder fel.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter olijfgroen van kleur, met een doffer borst- en buikgedeelte. De kuif is kort en nog niet volledig ontwikkeld. De rode oogring is kleiner en bleker, vaak rozeachtig. De snavel is grijsgroen tot geelachtig en wordt later oranje tot rood. De iris is bruin in plaats van rood.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met donkerbruin dons. Zoals bij andere loeries hebben ze kleine haakvormige structuren aan vleugels en poten, waarmee ze zich door takken en struiken kunnen bewegen. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de ogen gesloten bij geboorte, later donkerbruin. De glanzende groene lichaamskleur en de rode oogring ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.