Vogel
Reuzentoerako
Reuzentoerako
Corythaeola cristata
Log in om deze soort toe te voegenDe Reuzentoerako behoort tot het geslacht Corythaeola uit de familie van Toerako's (Musophagidae).
Deze opvallende vogel is de grootste soort in zijn familie en leeft in de tropische regenwouden van Midden- en West-Afrika, waaronder landen als Kameroen, Oeganda en Gabon. Hij verkiest dichte bossen en is vrijwel altijd in de boomtoppen te vinden, waar hij zich voedt met fruit, bladeren en zaden. Overdag actief, leeft deze vogel in kleine groepjes en bouwt zijn nest hoog in de bomen; beide ouders verzorgen de jongen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Toerako's (Musophagiformes)
- Bird Family
- Toerako's (Musophagidae)
- Bird Genus
- Corythaeola
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Toerako's
Toerako’s zijn middelgrote, bos- / savanevogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met vlieg- en klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag
- Huisvesting: ruime volière (5–10 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) met vlieg- en springmogelijkheden, beplanting en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
- Klimaat: van nature tropische omstandigheden (maar ook met lage nachttemperaturen; temperatuur bij voorkeur boven 0 °C, in winter een vorstvrij of licht verwarmd binnenverblijf.
- Sociaal: uitsluitend houden in paren.
- Voeding: (ijzerarm) zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en minimalehoeveelheid insecten; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Man:
Het mannetje is de grootste loerie en een van de grootste soorten binnen de Musophagidae, met een lengte van circa 70-75 cm. Het verenkleed is overwegend glanzend blauwgroen met een duidelijke metaalachtige irisatie. De vleugels zijn diepblauw met paarse tinten, terwijl de slagpennen kastanjebruin zijn en in vlucht fel contrasteren. De buik is groengrijs tot geelachtig. Opvallend is de hoge kuif van stevige, afgeronde, blauwzwarte veren die als een helm op de kop staat. De ogen zijn bruin tot roodachtig, omgeven door een naakte geelgroene huidring. De snavel is groot, krom en hoornkleurig geel met een vaak roodachtige basis. De poten zijn donkergrijs tot zwart. De staart is lang en trapvormig, donkerblauw met groene glans.
Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend op het mannetje en nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif is vaak korter of minder stevig. De snavel en oogring zijn identiek van kleur.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter blauwgroen met een doffer, olijfgroenige tint. De kuif is korter en minder ontwikkeld, en vaak bruinzwart in plaats van diepblauwzwart. De snavel is kleiner en grijzer, later verkleurend naar geel met roodachtige basis. De oogring is bleker en de iris bruin.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met donkerbruin dons. Zoals bij andere loeries hebben ze kleine haakvormige structuren aan vleugels en poten, waarmee ze zich door takken en dichte vegetatie kunnen verplaatsen. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de ogen zijn gesloten bij geboorte, later donkerbruin. Het glanzende blauwe verenkleed en de helmachtige kuif ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.