Vogel
Witbuiktoerako
Witbuiktoerako
Crinifer leucogaster
Log in om deze soort toe te voegenDe Witbuiktoerako behoort tot het geslacht Crinifer uit de familie van Toerako's (Musophagidae).
Deze vogel komt voor in hete acaciesteppe, savanne en bosrijke gebieden van Oost-Afrika, waaronder landen als Kenia en Tanzania. Hij leeft in groepen tot tien en is territoriaal. Met zijn kenmerkende roep, die klinkt als "go-away", vliegt hij van boom naar boom en voedt zich voornamelijk met vruchten en bladeren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Toerako's (Musophagiformes)
- Bird Family
- Toerako's (Musophagidae)
- Bird Genus
- Crinifer
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Toerako's
Toerako’s zijn middelgrote, bos- / savanevogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met vlieg- en klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag
- Huisvesting: ruime volière (5–10 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) met vlieg- en springmogelijkheden, beplanting en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
- Klimaat: van nature tropische omstandigheden (maar ook met lage nachttemperaturen; temperatuur bij voorkeur boven 0 °C, in winter een vorstvrij of licht verwarmd binnenverblijf.
- Sociaal: uitsluitend houden in paren.
- Voeding: (ijzerarm) zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en minimalehoeveelheid insecten; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Wetgeving(en)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
Deze vogelsoort wordt wereldwijd beschouwd als een (bijna) bedreigde soort in het oorspronkelijke leefgebied, of de handel in deze soort kan hiertoe leiden.
Deze soort staat daarom op Bijlage B van de Europese Verordening en CITES appendix II.
Binnen de avicultuur (in volière-milieu) mag deze soort alleen worden gehouden, gefokt of verhandeld als de legale herkomst kan worden aangetoond. De lidstaten aangesloten bij het CITES-verdrag (Convention on International Trade in Endangered Species of wild flora and fauna) hebben internationale regels opgesteld die het houden, fokken en verhandelen van deze dieren onder strikte voorwaarden mogelijk maakt.
In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.
De houder de dient legale herkomst van de vogel aan te tonen:
- De vogel is voorzien van een uniek merkteken. In het geval van vogels is dit een naadloos gesloten pootring die bij een volwassen vogel niet meer van de poot kan worden verwijderd.
- Bij elke overdracht dient een herkomstverklaring/ overdrachtsverklaring te worden opgemaakt en ondertekend door de afgevende en ontvangende partij.
- Let op: bij controle dienen ook gegevens van de ouderdieren én grootouderdieren getoond te kunnen worden.
Man:
Het mannetje is een forse loerie van circa 50-54 cm lengte. Het verenkleed is overwegend grijs, met een opvallend lange, slanke kuif die rechtop gedragen wordt. De kop en nek zijn lichtgrijs, de rug en vleugels donkerder grijsbruin. De borst is grijs, terwijl de buik en onderstaartdekveren zuiver wit zijn, een kenmerkend veldkenmerk van de soort. De lange staart is donkergrijs met een contrasterende brede, witte eindband, die in vlucht sterk opvalt. De snavel is fors, kort gebogen en geel tot geelgroen, vaak lichter aan de punt. De poten zijn donkergrijs, de iris bruin, omgeven door een smalle, grijze naaktoogring.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en is in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif is vaak korter. De snavel- en pootkleur zijn identiek.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en bruiner van kleur. De buik is vuilwit in plaats van helder wit. De kuif is korter en minder ontwikkeld. De staartband is smaller of nog onvolledig aanwezig. De snavel is grijzer, later verkleurend naar geel, en de poten zijn bleker. De iris is donkerbruin.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin dons. De bovenzijde is donkerder, de onderzijde vuilwit tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen bij geboorte gesloten, later donkerbruin. Het contrasterende wit van de buik en de staartband ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.