Vogel
Blauwkeelgoean
Blauwkeelgoean
Pipile cumanensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Blauwkeelgoean behoort tot het geslacht Pipile binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
De blauwkeel-pipvogel leeft in de vochtige tropische bossen van de Amazonas-regio, waaronder Bolivia, Brazilië, Colombia, Ecuador, de Guianas, Peru en Venezuela. Ze houden zich voornamelijk op in de buurt van rivieren en favoriseren de randen tussen bos en open land. Deze vogels voeden zich voornamelijk met vruchten en zaden. Ze zijn meestal in paren te vinden tijdens het broedseizoen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Pipile
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
- Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Man:
Het mannetje is een middelgrote guan van circa 65-74 cm lengte, met een slanke bouw en lange staart. Het verenkleed is overwegend zwartachtig met een groenige tot blauwige metaalglans, vooral op rug en vleugels. De buik en onderstaartdekveren zijn lichter, vaak grijsachtig tot witachtig. Opvallend is de kale, blauwachtige huid van kop en keel, die soms een kleine, hangende keelwam vormt. Het voorhoofd draagt een witte tot blauwachtig getinte kuif van korte veren. De vleugels hebben grote, contrasterende witte vlekken die vooral in vlucht goed zichtbaar zijn. De snavel is zwartachtig met een bleke tot blauwgrijze basis, de iris donkerbruin, en de poten zijn roodachtig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de kenmerkende witte kuif, blauwe kop- en keelhuid en witte vleugelvlekken. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, met minder intens glanzend verenkleed. De keelwam is vaak kleiner of minder opvallend aanwezig.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter, bruingrijs verenkleed zonder de uitgesproken glans. De kop is grotendeels met fijne veertjes bedekt, waardoor de kale blauwe huid nog onopvallend is. De kuifveren zijn kort en weinig contrasterend. De vleugelvlekken zijn kleiner of vaag omlijnd. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot dof rood, en de iris donkerbruin.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons voorzien van donkere vlekken en strepen, wat camouflage biedt in de bosrijke leefomgeving. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De witte kuif, blauwe kop- en keelhuid en de contrasterende vleugelvlekken ontwikkelen zich pas in de jeugdfase.