Fluitzwaan

Cygnus columbianus

Log in om deze soort toe te voegen

De Fluitzwaan behoort tot het geslacht Cygnus uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

De fluitgans is een vogel die in toendragebieden leeft, zoals moerassen en kustgebieden. Ze zijn aan te treffen in Noord-Amerika, Europa en Azië. Hun habitat bestaat uit voornamelijk natte omgevingen en graslanden. Het zijn sociale vogels die meestal in groepen leven en zich voeden met grassen en andere vegetatie. Ze zijn bekend om hun migratiepatronen, waarbij ze grote afstanden afleggen om te overwinteren.

Fluitzwaan
Tundra Swan
Singschwan
Cygne siffleur

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Cygnus

Ringmaat

Man 24.0 mm Vrouw 24.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje heeft een overwegend wit verenkleed. De hals is relatief korter en dunner dan die van de grotere zwanen. De snavel is zwart met een variabele gele vlek aan de basis, meestal klein en beperkt tot de zijkant. De poten zijn zwart en de iris donkerbruin. In vergelijking met andere soorten is het silhouet slanker en de kop rond tot wigvormig.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld nauwelijks te onderscheiden. Zij is gemiddeld iets kleiner en lichter gebouwd, met een kortere hals. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn licht grijsbruin van verenkleed, met een vuilwitte onderzijde. De kop en hals zijn grijzer en de snavel is dof rozegrijs met een zwarte punt, later verkleurend naar zwart met een kleine gele basisvlek. De poten zijn grijzer van toon en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donzig grijs aan de bovenzijde, met een lichter grijs tot vuilwit dons aan de onderzijde. De snavel is klein en grijs, de poten zijn vleeskleurig tot grijs en de iris donker.