Vogel
Geelsnaveltaling (Chili)
Geelsnaveltaling (Chili)
Anas flavirostris flavirostris
Log in om deze soort toe te voegenDe Geelsnaveltaling (Chili) (Synoniem: Chileense Geelsnaveltaling, Chili taling) behoort tot het geslacht Anas binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze kleine eend komt voor in Zuid-Amerika, vooral in Argentini�, Chili, Uruguay en Brazili�. Hij leeft vooral in zoetwatermoerassen, meren en rivieren, vaak op hogere hoogtes. De vogel voedt zich met plantaardig materiaal en kleine waterdieren en vertoont zowel migrerend als sedentair gedrag, afhankelijk van de regio.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anas
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.
- Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
- Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels.
Man:
Het mannetje heeft een warmbruin verenkleed met fijne donkere vlekjes en streping, waardoor een geschubd patroon ontstaat. De kop en hals zijn lichter bruin, met subtiele donkere streepjes. De borst en flanken zijn warm kastanjebruin, de buik lichter tot vuilwit. De vleugels hebben een iriserend groene speculum, zwart omlijst, vaak met een lichte voorrand. De snavel is helder geel met een brede zwarte dorsale band, een diagnostisch kenmerk van de soort. De poten zijn grijsgeel tot oranje en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld niet te onderscheiden. Zij is gemiddeld iets kleiner en fijner gebouwd. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn doffer en grijzer van kleur, met een minder contrastrijk geschubd patroon. De borst en flanken zijn egaler bruin, de speculum minder glanzend en minder opvallend. De snavel is grijzer van toon met slechts een zwakke gele tint. De poten zijn vleeskleurig tot grijs en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde en geelachtig tot lichtbruin aan de onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.