Goudooggans

Anser erythropus

Log in om deze soort toe te voegen

De Goudooggans (Synoniem: Dwerggans, dwergkolgans) behoort tot het geslacht Anser binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze kleine ganzensoort broedt in noordelijke streken van Fennoscandi� tot Oost-Siberi�, in arctische toendra en bos-tundra. Ze overwinteren zuidelijker in Europa, vaak in graslanden en wetlands. De vogels leven in groepen, foerageren op waterplanten en trekken langs traditionele routes tussen broed- en wintergebieden. Hun populaties zijn kwetsbaar door habitatverlies en stroperij.

Goudooggans
Lesser White-fronted Goose
Kleinseriengans
Oie naine

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anser

Ringmaat

Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje heeft een grijsbruin verenkleed, met donkere bruine bovendelen en lichtere grijsbruine flanken. De buik is wit, vaak met onregelmatige zwarte vlekken. De kop en hals zijn donkerbruin, maar contrasteren met een opvallende gele oogring. De snavel is kort en roze met een witte basis, duidelijk kleiner en korter dan die van Anser albifrons. De poten zijn oranje, de iris donkerbruin. In vlucht zijn de witte onderstaart en lichte dekveren goed zichtbaar.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, met een nog subtieler en korter gebouwde snavel. Poten, snavelkleur en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn grijzer en doffer van toon, met een egalere borst en flanken zonder zwarte vlekken. De snavel is dof rozegrijs met een minder contrasterende witte basis, en de kenmerkende gele oogring is zwak ontwikkeld of afwezig. De poten zijn vleeskleurig tot grauw-oranje, de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn geel donsachtig aan de onderzijde, met een olijfbruine bovenzijde. Ze vertonen een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 289
  • Tijdschrift 244
  • Tijdschrift 209
  • Tijdschrift 161
  • Tijdschrift 152