Vogel
Groeneijsvogel
Groeneijsvogel
Chloroceryle americana
Log in om deze soort toe te voegenDe Groeneijsvogel behoort tot het geslacht Chloroceryle binnen de familie van IJsvogels (Alcedinidae).
Deze vogelsoort verblijft voornamelijk langs de beboste oevers van stroompjes, vijvers en meren. Ze houdt van stilstaand of langzaam stromend water en is een permanente bewoner in de regio's van zuidelijk Texas, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika. Het dieet bestaat voornamelijk uit kleine vissen, die ze oppikt door zich vanuit een lage zitplaats in het water te storten. De zang lijkt op een stil getik.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Scharrelaars (Coraciiformes)
- Bird Family
- IJsvogels (Alcedinidae)
- Bird Genus
- Chloroceryle
Ringmaat
Welzijnsadviezen
IJsvogels
IJsvogels zijn kleine tot middelgrote visetende vogels die leven langs oevers van rivieren, vijvers en meren. Ze jagen vanaf lage zitplaatsen en broeden in zelfgegraven nesttunnels in zandige oevers. In de avicultuur vragen ze om helder water, nestgelegenheid en een rustige, goed onderhouden omgeving. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met waterpartij (15–25 m² per koppel); waterdiepte 30–60 cm; zandige oever met nesttunnel; zitstokken boven water; binnenverblijf ± 2 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: afhankelijk van de soort tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en tocht.
- Sociaal: te houden per koppel; territoriaal tijdens broedperiode; visuele afscheiding tussen verblijven voorkomt agressie.
- Voeding: kleine visjes, insecten, kreeftachtigen en amfibieën; levend of bewegend voer stimuleert natuurlijk gedrag; altijd vers water beschikbaar.
- Overig: schoon, helder water essentieel; natuurlijke nesttunnels of kunstmatige zandwanden voorzien; rustige ligging en dagelijkse hygiëne bevorderen welzijn en broedsucces.
Man:
Het mannetje is een middelgrote ijsvogel van circa 20�21 cm lengte, met een compacte bouw, korte staart en lange, rechte snavel. De bovenzijde is donkergroen met metaalglans, met kleine witte vlekjes op de vleugeldekveren. De stuit en staart zijn eveneens groen, de staart gebandeerd met smalle witte strepen. De keel is wit, de borst en buik zijn kastanjebruin, en de onderstaartdekveren wit. De snavel is lang, recht en zwart; de iris is donkerbruin, en de poten zijn donkergrijs tot zwart.
Vrouw:
Het vrouwtje verschilt duidelijk van het mannetje door het ontbreken van de kastanjebruine borstband. In plaats daarvan heeft ze een smalle, donkergroene borstband en een grotendeels witte onderzijde. De bovenzijde is identiek � glanzend donkergroen met witte vlekjes op de vleugels. De snavel is iets korter, en bij sommige individuen is de ondersnavel aan de basis lichter van kleur.
Juveniel:
Juvenielen zijn valer gekleurd, met een groenbronsachtige bovenzijde en een onderzijde die lichter is dan bij de volwassen vogels. Jonge mannetjes hebben een smalle, vaal kastanjebruine borstband, terwijl jonge vrouwtjes een onregelmatige, groen gespikkelde borst tonen. De snavel is korter, donkergrijs met een bleke ondersnavelbasis, en de poten zijn vleeskleurig tot donkergrijs.
Kuiken:
De kuikens zijn nestblijvers en komen kaal en blind uit het ei, met roze huid. Binnen enkele dagen ontwikkelen ze dun grijs dons. De snavel is kort en bleekgrijs; de poten zijn vleeskleurig. De kenmerkende groene bovenzijde en kastanjebruine borstband verschijnen pas in het juveniele stadium, kort voor het uitvliegen.