Kolgans (tule)

Anser albifrons elgasi

Log in om deze soort toe te voegen

De Kolgans (tule) behoort tot het geslacht Anser uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze zeldzame soort leeft in westelijk Alaska en overwintert in Californi�. Ze broedt in de boreale bossen van de bovenste Cook Inlet-regio, waar ze zich voeden met grassen, sedge en andere planten. In de winter migreren ze naar Californi�, waar ze in de Centrale Vallei te vinden zijn. Ze zijn vooral te zien in gebieden met natte gronden en landbouwvelden.

Kolgans (tule)
Greater White-fronted Goose (Tule)
Kurzschnabelgans (Tule)
Oie rieuse (Tule)

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anser

Ringmaat

Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Europese soort (Europese Vogelrichtlijn)

Deze vogel is inheems binnen de Europese Unie (EU) en behoort tot een beschermde soort onder de Europese Vogelrichtlijn. 

Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden, gekweekt en verhandeld. De houder dient zelf aan te tonen dat de vogel legaal is gekweekt en verkregen.

De belangrijkste voorwaarden voor het mogen houden van deze vogels zijn:

  • De vogel is voorzien van een naadloos gesloten pootring van de juiste ringmaat, welke is verkregen via de daartoe bevoegde organisaties (zoals Aviornis International Nederland).
  • Andere bewijsstukken (zoals een herkomstverklaring) kunnen bijdragen aan de aantoonbaarheid van legale herkomst.

Man:
Het mannetje (de Tule-kolgans, een zeldzame en zeer lokale ondersoort uit Californi� en Oregon) is de grootste ondersoort binnen de kolganzen. Het verenkleed is grijsbruin met een donkerder bruinige borst, contrasterend met een vuilwitte buik die vaak bezet is met zwarte dwarsvlekken. De kop en hals zijn donkerbruin, voorzien van een duidelijke witte voorhoofdsband. De snavel is groot, lang en robuust, roze tot oranjerood van kleur met een bleke nagel. De poten zijn fel oranje en de iris donkerbruin. Het silhouet is forser en zwaargebouwder dan bij A. a. gambelli of A. a. albifrons.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en fijner gebouwd. Zij heeft dezelfde forse snavel, maar iets slanker van vorm. Poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn grijzer en doffer, met een egalere borst en buik zonder zwarte vlekken. De witte voorhoofdsband ontbreekt of is slechts zwak ontwikkeld. De snavel is groot maar nog doffer rozegrijs van kleur, de poten zijn vleeskleurig tot grauworanje en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn geel donsachtig aan de onderzijde en olijfbruin aan de bovenzijde. Ze hebben een donkere kopkap en rugstrepen met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.