Roodsnavelhokko

Crax blumenbachii

Log in om deze soort toe te voegen

De Roodsnavelhokko behoort tot het geslacht Crax binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogel leeft endemisch in de laaglandregenwouden van het Atlantisch Woud in Zuidoost-Brazilië, vooral in de staten Espérito Santo, Bahia en Minas Gerais. Hij voedt zich voornamelijk op de bosbodem met vruchten, zaden en insecten, en wordt vaak in paartjes of kleine familiegroepen gezien. Het bouwt nesten van takjes enkele meters boven de grond en heeft een opvallende paringsroep.

Roodsnavelhokko
Red-billed Curassow
Rotschnabelhokko
Hocco de Blumenbach

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Crax

Ringmaat

Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
  • Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
  • Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
  • Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een forse hokko van circa 82-90 cm lengte, met een robuuste bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend diepzwart met een subtiele groenachtige glans. De buik en onderstaartdekveren zijn zuiver wit, wat scherp contrasteert met de donkere borst en rug. De kop draagt een kuif van sterk gekrulde, zwarte veren. Kenmerkend is de grote, gele wasknobbel (caruncula) aan de snavelbasis, die bolvormig is en de soort onderscheidt. De snavel zelf is zwart, de iris donkerbruin, en de poten zijn grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje verschilt duidelijk van het mannetje. Het verenkleed is overwegend roodbruin met donkere dwarsbandering op rug, vleugels en staart. De onderzijde is lichter, vaak beige tot kastanjebruin met fijnere tekening. De kuif is aanwezig maar minder grof gekruld en bruin van kleur. De snavel is zwart, zonder wasknobbel. De iris is bruin en de poten zijn grijzig.

Juveniel:
Juvenielen lijken in hun eerste kleed meer op het vrouwtje, met een bruin en fijn gebandeerd verenkleed. De kuif is kort en weinig ontwikkeld. Bij jonge mannetjes wordt het verenkleed geleidelijk zwart tijdens opeenvolgende ruistadia, en de witte buik verschijnt later. De gele wasknobbel ontwikkelt zich pas op latere leeftijd. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijs.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geel- tot bruin dons met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in de bosbodem van het Atlantisch regenwoud. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De kuif en de opvallende gele wasknobbel ontwikkelen zich pas later tijdens het opgroeien.