Spoorwiekgans (witbuik)

Plectropterus gambensis gambensis

Log in om deze soort toe te voegen

De Spoorwiekgans (witbuik) (Vrouw) (Synoniem: Lichtbuik Spoorwiekgans) behoort tot het geslacht Plectropterus binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze grote watervogel komt voor in Sub-Saharisch Afrika, van Gambia tot Ethiopi� en zuidelijk tot Angola en de Zambezirivier. Hij leeft vooral in graslanden nabij meren, rivieren en moerassen. Zijn dieet bestaat vooral uit plantaardig materiaal, maar hij eet soms ook kleine vissen of insecten. Het is een meestal stille vogel, waarvan alleen de mannetjes zacht bubbels klinken bij opstijgen of alarm.

Spoorwiekgans (witbuik) (Vrouw)
Spur-winged Goose (White-bellied female)
Spornfl�gelgans (Wei�bauch Weibchen)
Oie � ailes �pineuses (ventre blanc femelle)

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Plectropterus

Ringmaat

Man 22.0 mm Vrouw 20.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan soorten, van kleine talingen tot grote zwanen. De meesten bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om verblijven met zwemwater en mogelijkheden om te foerageren (watervogelkorrel) en/of te grazen. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. Om de Watervogels op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste richtlijnen.

  • Huisvesting: verblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen); voor middelgrote ganzen soorten (bijv. roodhalsganzen) een verblijf van circa 10-20m² per paar met voldoende zwemwater, schaduwplekken en windbescherming; voor grote soorten (bijv. zwanen en grote ganzen) 30-50m² per paar. Waterdiepte van circa 30-60cm is veelal voldoende.
  • Klimaat: de meeste soorten verdragen gematigde kou. Watervogels hebben zomer en winter behoefte aan open water om het verenpak te kunnen onderhouden. Sommige vorstgevoelige soorten verdienen extra aandacht in de winter en hebben bijverwarming nodig (bijv. pygmeegans).
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode; sommige agressieve soorten (zoals casarca’s) in koppels apart huisvesten – voldoende ruimte voorkomt conflicten
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: dagelijkse controle op hygiëne, verenpak en het welzijn van vogels. 
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Man:
Het mannetje (Spur-winged Goose, nominaatondersoort) is de grootste Afrikaanse watervogel, met een robuust lichaam en lange poten. Het verenkleed is overwegend zwart met een groen- tot paarse iriserende glans op rug, vleugels en borst. De buik en flanken zijn wit, vaak scherp contrasterend met de donkere bovenzijde. De kop en hals zijn zwartachtig met soms een witte vlek op de kin of wangen. Rond de snavelbasis bevindt zich een opvallend rood, wratachtig naakt huidveld dat bij mannetjes sterker ontwikkeld is. Op de voorvleugel dragen ze een harde, hoornige spoor. De snavel is rood met een hoornkleurige punt, de poten zijn rood tot oranjerood en de iris donker.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en slanker van bouw dan het mannetje. De rode naakte huid rond de snavel is minder uitgebreid en minder helder van kleur. Het verenkleedpatroon is vergelijkbaar: zwart iriserend met een witte buik, maar vaak met meer bruinige tinten. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn doffer van kleur, met een bruingrijze bovenzijde en een vuilwitte onderzijde. De iriserende glans ontbreekt grotendeels. De rode naakte huid rond de snavel is afwezig. De snavel is grijsroze, de poten zijn vleeskleurig tot grijs en de iris donker. Naarmate ze ouder worden, verschijnen de sporen op de vleugels.

Kuiken:
De kuikens zijn geelachtig donsachtig aan de onderzijde en olijfbruin aan de bovenzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 266