Vogel
West-Mexicaanse chachalaca
West-Mexicaanse chachalaca
Ortalis poliocephala
Log in om deze soort toe te voegenDe West-Mexicaanse chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
De West-Mexicaanse chachalaca is een vogelsoort die in het zuidwesten van Mexico leeft. Ze bewonen voornamelijkrijpe bladverliezende bossen, doornstruikgewassen en secundaire bossen. Soms worden ze ook in naaldbossen en mangrovegebieden aangetroffen. Deze vogels zijn sociaal en leven in groepen. Ze zijn voornamelijk planteneters en voeden zich vooral met fruit, bloemen en bladeren. Ze broeden in de periode van april tot augustus en bouwen een nest van takken en bladeren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 55-60 cm lengte, met een slanke bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend olijfbruin tot kastanjebruin, met een lichte bronsgroene glans op rug en vleugels. De borst en buik zijn lichter bruin tot grijsachtig. De kop en nek zijn contrasterend lichtgrijs, wat de soort onderscheidt van andere Ortalis-soorten. De keel draagt een kleine, kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die bij opwinding helderder rood wordt. De staart is donkerbruin met lichtere uiteinden. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin, en de poten zijn grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, inclusief de grijzige kop en de rode keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, en het verenkleed is vaak iets doffer van kleur. De keelwam kan kleiner en minder intens rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter, uniform bruin verenkleed zonder de contrasterende grijskleurige kop van de adulten. De borst en buik zijn lichter bruin, en de vleugeldekveren vertonen brede, lichtere randen die een geschubd effect geven. De keelwam ontbreekt of is rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons voorzien van donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in de bosbodem en struikvegetatie. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De grijze kop en de rode keelwam ontwikkelen zich pas in de jeugdfase.