Vogel
Caribische flamingo
Caribische flamingo
Phoenicopterus ruber
Log in om deze soort toe te voegenDe Caribische flamingo (synoniem: Rode flamingo of Cubaanse flamingo) behoort tot het geslacht Phoenicopterus binnen de familie van Flamingo's (Phoenicopteridae).
Deze vogel is inheems in het Caribisch gebied en de Galapagoseilanden. Ze bewonen zoute meren en baaien, zoals rivierdeltas en lagunes met een hoge zoutgehalte, waar veel algen en crustaceeën voorkomen. Ze zijn sociaal en vormen grote kolonies. Hun unieke voedingsgedrag bestaat uit het filteren van water met behulp van hun speciale snavel, waarbij ze kleine diertjes en algen opvangen. Ze staan vaak op één been om te rusten en warmteverlies te verminderen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Flamingo's (Phoenicopteriformes)
- Bird Family
- Flamingo's (Phoenicopteridae)
- Bird Genus
- Phoenicopterus
Ringmaat
Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mmWelzijnsadviezen
Flamingo's
Flamingo’s zijn koloniebroedende watervogels die in ondiepe meren, lagunes en zoutmoerassen leven. In de avicultuur hebben ze behoefte aan ruime water- en landzones, groepshuisvesting, en mogelijkheden om natuurlijk broedgedrag te vertonen. Om de Flamingo's op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste aanbevolen welzijnsrichtlijnen.
- Huisvesting: buitenverblijf met ondiep water (20–50 cm diep) en zand- of kleibodem; ± 100 m² per 10–15 vogels; zachte oever en binnenverblijf van 2–3 m² per vogel bij kou (>10 °C).
- Klimaat: redelijk koudetolerant; beschutting bij vorst of regen; tropische soorten vorstvrij en verwarmd in winter; schaduw en schoon water in zomer.
- Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting met ≥ 10 dieren; nestplaatsen van klei/modder nabij water; rustig, ruim verblijf bevordert broedgedrag.
- Voeding: flamingovoer of watervogelvoer met carotenoïden; aanvullen met algen, schaaldieren, garnalen en plantaardig materiaal; altijd schoon, ondiep water.
- Overig: goede waterkwaliteit door verversing of doorstroming; eilanden of zandbanken als rust- en broedplaatsen; hygiënische omstandigheden ter preventie van pootproblemen.
Man:
De man heeft een opvallend roze verenkleed met een lichte glans. De vleugels zijn donkerder met zwarte uiteinden. De nek is lang en slank, met een iets lichtere tint dan de rest van het lichaam. De snavel is groot en gebogen, met een roze basis en zwarte punt. De poten zijn lang en roze, met een gladde textuur. De ogen hebben een gele iris met een smalle, donkere oogring. De kop is relatief klein in verhouding tot het lichaam.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar roze verenkleed, maar iets minder intens van kleur. De vleugels vertonen dezelfde donkere uiteinden als bij de man. De nek is eveneens lang, maar de kleur is iets doffer. De snavel is identiek in vorm, maar kan iets minder contrastrijk zijn. De poten zijn roze, maar soms iets bleker dan die van de man. De ogen hebben een gelige iris met een subtiele oogring. De kop is iets kleiner, maar goed in verhouding met de nek.
Juveniel:
Juvenielen hebben een grijsbruin verenkleed met een matte uitstraling. De vleugels zijn donkerder, maar missen de zwarte uiteinden. De nek is korter en dikker, met een uniforme grijze kleur. De snavel is recht en grijs, met een donkere punt. De poten zijn grijsachtig en minder opvallend. De ogen zijn donker met een onopvallende oogring. De kop is groter in verhouding tot het lichaam.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zachte, grijze donslaag. De snavel en poten zijn lichtgrijs en onopvallend.