Vogel
Grijskopduif
Grijskopduif
Leptotila plumbeiceps
Log in om deze soort toe te voegenDe Grijskopduif behoort tot het geslacht Leptotila uit de familie van duiven (Columbidae)
.
De grijskopduif is een grote duivensoort die voorkomt van oostelijk Mexico tot westelijk Panama en Colombia. Deze vogel bewoont voornamelijk tropische gebieden en is een residentieel broedvogel. Ze zijn vaak te vinden in bossen en langs bosranden, waar ze zich voeden met vruchten en zaden. Hun gedrag is voornamelijk grondgebonden, waarbij ze steeds naar voedsel zoeken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Leptotila
Ringmaat
Man 6.0 mm Vrouw 6.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor een optimaal welzijn van duiven is de inrichting van een passende leefomgeving noodzakelijk. De centrale aandachtspunten voor een verantwoorde verzorging en huisvesting betreffen de beschikbare ruimte, de nutritionele behoeften en het faciliteren van natuurlijk sociaal gedrag.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–8 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Sommige soorten hebben baat bij een vorstvrij of verwarmt verblijf.
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor vruchtenetende duiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor mineralen, grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een middelgrote duif van circa 26-28 cm lengte. De kop en nek zijn leigrijs, met een witachtige keel en een subtiele lila- tot rozerode zweem op de borst. De buik en onderstaart zijn vuilwit tot lichtgrijs. De rug en vleugels zijn olijfbruin tot kastanjebruin met donkerdere slagpennen. De staart is vrij lang en afgerond, donkergrijs met brede witte buitenste pennen die in vlucht opvallend contrasteren. De snavel is zwart met een grijzige basis, de poten zijn rood en de iris oranjerood, vaak met een smalle, bleke oogring.
Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend op het mannetje, maar gemiddeld iets kleiner en doffer van kleur. De borstzweem is minder uitgesproken en de kopkleur oogt iets bruiner. De iris is eerder oranjebruin dan fel rood.
Juveniel:
Juvenielen zijn doffer en egaler bruin van toon. De borst is grijsbruin zonder de subtiele lila zweem, en de buik is vuilwit. De rug en vleugels hebben lichtere veerranden, wat een geschubd patroon oplevert. De snavel is grijzer, de poten valer rood en de iris donkerbruin.
Kuiken:
De kuikens zijn nestblijvers en worden geboren met een dun, grijsbruin dons. De snavel is relatief fors en donker, de poten zijn vleeskleurig en de ogen gesloten bij uitkomst. In de eerste weken worden ze gevoed met 'duivenmelk' en ontwikkelen ze daarna hun bruinige juveniele verenkleed.