Vogel
Andesmeeuw
Andesmeeuw
Larus serranus
Log in om deze soort toe te voegenDe Andesmeeuw behoort tot het geslacht Larus binnen de familie van Meeuwen (Laridae).
Deze vogel komt voor in het Andesgebergte van Colombia tot in westelijk Argentini�, waar hij het hele jaar door te zien is bij meren, moerassen en graslanden op grote hoogte, vaak tussen 3000 en 5000 meter. In de winter trekt hij soms naar de kust, waar hij foerageert aan riviermondingen en stranden. Zijn voedsel bestaat uit wormen, insecten, kleine vissen en afval; hij zoekt voedsel lopend, zwemmend en vliegend. Broeden doet hij solitair of in kleine kolonies langs oevers en op eilanden, vaak in juli en augustus, met twee of drie eieren als gebruikelijke legselgrootte.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Meeuwen (Laridae)
- Bird Genus
- Larus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Meeuwen
Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
- Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
- Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
- Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Man:
De man heeft een grijs verenkleed met een lichte zilverachtige glans op de rug en vleugels. De kop is helderwit, wat contrasteert met de donkergrijze nek. De borst en buik zijn egaal wit, zonder zichtbare vlekken. De vleugels hebben zwarte uiteinden met kleine witte stippen. De snavel is geel met een rode vlek nabij de punt. De poten zijn geelachtig met een gladde textuur. De iris is lichtgeel met een dunne, rode oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met een iets doffere glans. De kop is eveneens wit, maar kan een grijzige waas vertonen in de winter. De borst en buik zijn wit, soms met een subtiele grijze tint. De vleugels hebben zwarte uiteinden met minder uitgesproken witte stippen. De snavel is geel, vaak met een minder opvallende rode vlek. De poten zijn geel, maar iets bleker dan die van de man. De iris is lichtgeel met een subtiele rode oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een bruinachtig verenkleed met een gevlekt patroon op de rug en vleugels. De kop is lichtbruin met een donkere oogstreep die doorloopt naar de nek. De borst en buik zijn vuilwit met bruine vlekken. De vleugels zijn donkerbruin met lichtere randen, wat een versleten indruk geeft. De snavel is donkergrijs met een lichtere basis. De poten zijn vleeskleurig met een ruwe textuur. De iris is donkerbruin zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed met donkere vlekken. De snavel en poten zijn lichtgrijs.