Vogel
Beringmeeuw
Beringmeeuw
Larus glaucescens
Log in om deze soort toe te voegenDe Beringmeeuw behoort tot het geslacht Larus binnen de familie van Meeuwen (Laridae).
Deze meeuw leeft langs de noordelijke Pacifische kust, van Alaska tot Washington, en overwintert soms zuidelijker tot Baja California. Ze bewonen stranden, kliffen en havens en foerageren op vis, invertebraten en afval. Hun gedrag omvat territoriumvorming en voedsel zoeken, soms met gereedschap zoals het openen van schelpdieren door ze op stenen te laten vallen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Meeuwen (Laridae)
- Bird Genus
- Larus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Meeuwen
Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
- Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
- Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
- Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Man:
De man heeft een overwegend lichtgrijs verenkleed met een witte kop en nek. De vleugels zijn donkerder grijs met een subtiele glans en lichte randen. De borst en buik zijn egaal wit, zonder opvallende markeringen. De snavel is geel met een rode vlek nabij de punt. De poten zijn roze en hebben een gladde textuur. De ogen zijn donker met een smalle, gele oogring.
Vrouw:
De vrouw vertoont een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met iets minder glans. De kop en nek zijn wit, soms met een lichte grijze waas. De vleugels zijn lichtgrijs met iets meer uitgesproken donkere randen. De snavel is geel, vaak met een minder opvallende rode vlek. De poten zijn roze, maar kunnen iets doffer zijn. De ogen zijn donker met een subtiele gele oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met een gevlekt patroon op de vleugels. De kop en nek zijn lichter bruin met een vage streping. De borst en buik zijn lichtbruin met een onregelmatige vlekkenpatroon. De snavel is donker met een lichtere basis. De poten zijn grijsachtig roze en hebben een ruwe textuur. De ogen zijn donker zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed met donkere vlekken. De snavel en poten zijn lichtgrijs van kleur.