Dunbekmeeuw

Larus genei

Log in om deze soort toe te voegen

De Dunbekmeeuw behoort tot het geslacht Larus binnen de familie van Meeuwen (Laridae).

Deze vogel is een middelgrote meeuwensoort die voornamelijk broedt rond de Middellandse Zee en de noordelijke kusten van de westelijke Indische Oceaan. Ze houden van kustlagunes, brakke wateren en moerassen. Gedurende de winter overwinteren ze in kustgebieden en estuaria. Ze voeden zich met vis, ongewervelde zeedieren en insecten, en zijn bekend om hun aanpassingsvermogen aan verschillende omgevingen.

Dunbekmeeuw
Slender-billed Gull
D�nnschnabelm�we
Go�land railleur

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Meeuwen (Laridae)
Bird Genus
Larus

Ringmaat

Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mm

Welzijnsadviezen

Meeuwen

Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
  • Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
  • Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
  • Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
  • Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Huisvestingsrichtlijnen meeuwen

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een slanke, witte kop met een subtiele grijze tint op de nek. De borst en buik zijn helderwit, wat contrasteert met de lichtgrijze rug en vleugels. De vleugeldekveren hebben een zilverachtige glans, met donkere uiteinden aan de primaire veren. De snavel is slank en geel met een rode basis, zonder was. De poten zijn lang en roze, met een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, rode oogring. In de winter is de kop iets donkerder met een grijze waas.

Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft een iets minder uitgesproken grijze tint op de nek. De vleugels zijn lichtgrijs met een subtiele, zilverachtige glans. De snavel is geel met een minder opvallende rode basis dan bij de man. De poten zijn roze en slank, met een gladde structuur. De iris is donkerbruin, met een dunne, rode oogring. In de winter vertoont de kop een lichte grijze waas, vergelijkbaar met de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een meer gem�leerd verenkleed met bruine en grijze tinten op de rug en vleugels. De kop en borst zijn lichter, met een vage, bruine streping. De vleugeldekveren zijn donkerder met lichte randen, wat een versleten indruk geeft. De snavel is donkergrijs met een lichtere punt, zonder rode basis. De poten zijn grijsachtig roze, met een ruwe textuur. De iris is donker, zonder opvallende oogring. Naarmate ze ouder worden, vervagen de bruine tinten geleidelijk.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed met donkere vlekken. De snavel en poten zijn donkergrijs.