Vogel
Hemprichs meeuw
Hemprichs meeuw
Ichthyaetus hemprichii
Log in om deze soort toe te voegenDe Hemprichs meeuw behoort tot het geslacht Ichthyaetus binnen de familie van Meeuwen (Laridae).
Deze kustvogel komt voor rond de Rode Zee, de Perzische Golf en de oostkust van Afrika tot Mozambique en Pakistan. Ze broeden in kleine kolonies op koraaleilanden en foerageren vooral langs kusten, havens en moddervlaktes. Hun dieet bestaat uit vis en andere zeedieren, waarbij ze zowel jagen als aas eten. Na het broedseizoen trekken sommige groepen zuidwaarts.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Meeuwen (Laridae)
- Bird Genus
- Ichthyaetus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Meeuwen
Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
- Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
- Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
- Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Man:
De man heeft een overwegend witte kop met een subtiele grijze tint op de nek. De rug en vleugels zijn donkergrijs met een lichte glans, wat contrasteert met de witte onderzijde. De vleugelpunten zijn zwart met een scherpe afbakening. De snavel is slank en geel met een rode punt, zonder was. De poten zijn donkergrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, rode oogring. In de winter is de kop iets grijzer, met een minder uitgesproken contrast.
Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft een iets doffere grijstint op de vleugels. De kop is wit met een lichte grijze waas, vooral in de wintermaanden. De snavel is vergelijkbaar met die van de man, maar iets korter en dikker. De poten zijn donkergrijs, met een iets ruwere structuur dan bij de man. De iris is donkerbruin, met een subtiele rode oogring. De vleugelpunten zijn zwart, maar de afbakening is minder scherp dan bij de man. De borst en buik zijn egaal wit, zonder vlekken of strepen.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met lichtere randen, wat een geschubd effect geeft. De kop is bruin met een lichtere keel en nek, die geleidelijk overgaan in de borst. De vleugels zijn donkerbruin met lichtere uiteinden, wat een versleten indruk kan geven. De snavel is donkergrijs met een lichtere basis, zonder opvallende kleurverschillen. De poten zijn grijsbruin en hebben een ruwe textuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring. Naarmate ze ouder worden, worden de veren geleidelijk lichter en grijzer.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, grijsbruin dons met donkere vlekken op de rug. De snavel en poten zijn lichtgrijs, zonder opvallende kenmerken.