Ivoormeeuw

Pagophila eburnea

Log in om deze soort toe te voegen

De Ivoormeeuw behoort tot het geslacht Pagophila binnen de familie van Meeuwen (Laridae).

Deze witte, kleine tot middelgrote meeuwensoort broedt uitsluitend in de hoge Arctis, waar hij het hele jaar afhankelijk is van ijs en sneeuw. Zijn verspreiding is circumpolair, met nestelkolonies op afgelegen rotsen en eilanden in Canada, Groenland, Noord-Europa en Azi�, en winterverblijfgebieden langs de randen van pakijs en open polynyas. Als zee-ijsspecialist foerageert hij vooral op vis, kreeftachtigen en aas, waaronder prooiresten van ijsberen, waardoor hij een belangrijke rol speelt in het Arctische ecosysteem. Het broeden gebeurt in kleine kolonies op onherbergzame plekken, ver van open water, en de vogel is sterk gebonden aan het krimpende pakijs, wat hem zeer gevoelig maakt voor klimaatverandering.

Ivoormeeuw
Ivory Gull
Elfenbeinm�we
Mouette blanche

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Meeuwen (Laridae)
Bird Genus
Pagophila

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Meeuwen

Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
  • Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
  • Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
  • Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
  • Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Huisvestingsrichtlijnen meeuwen

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een geheel wit verenkleed met een subtiele ivoortint. De veren zijn glad en glanzend, zonder zichtbare slijtage. De kop en nek zijn egaal wit, zonder contrast met de rest van het lichaam. De snavel is kort en zwart, met een lichte wasachtige structuur aan de basis. De poten zijn donkergrijs tot zwart, met een gladde textuur. De ogen zijn donkerbruin, omringd door een dunne, onopvallende oogring. In de winter blijft het verenkleed ongewijzigd, behoudens lichte vergeling door slijtage.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar wit verenkleed als de man, maar met een iets doffere glans. De kop en nek zijn eveneens egaal wit, zonder duidelijke markeringen. De snavel is zwart en iets slanker dan die van de man, met een vergelijkbare wasachtige basis. De poten zijn donkergrijs, met een iets ruwere textuur dan bij de man. De ogen zijn donkerbruin, met een subtiele, grijze oogring. In de winter kan het verenkleed een lichte gelige tint krijgen door slijtage. De algehele verschijning is iets minder contrastrijk dan bij de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend wit verenkleed met grijze vlekken op de vleugels en rug. De veren zijn mat en vertonen lichte slijtage aan de randen. De kop en nek zijn wit, met een subtiele grijze waas. De snavel is zwart en slank, zonder wasachtige basis. De poten zijn grijs, met een ruwe textuur. De ogen zijn donkerbruin, met een onopvallende grijze oogring. Naarmate ze ouder worden, verdwijnen de grijze vlekken geleidelijk.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zachte, witte donslaag. De snavel en poten zijn aanvankelijk lichtgrijs.