Kleine mantelmeeuw

Larus fuscus

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine mantelmeeuw behoort tot het geslacht Larus binnen de familie van Meeuwen (Laridae).

De kleine mantelmeeuw is een veel voorkomende vogel in kustgebieden en steeds meer in het binnenland. Het dier leeft voornamelijk van zeevis en krabben, maar zoekt ook voedsel op land, zoals zoogdieren en insecten. De vogels broeden in kolonies op natuurlijke en kunstmatige plaatsen, zoals kwelders en daken van gebouwen. Hun verspreiding strekt zich uit van westelijk Europa tot de kusten van het Noordzeegebied.

Kleine mantelmeeuw
Lesser Black-backed Gull
Heringsm�we
Go�land brun

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Meeuwen (Laridae)
Bird Genus
Larus

Ringmaat

Man 9.0 mm Vrouw 9.0 mm

Welzijnsadviezen

Meeuwen

Meeuwen zijn intelligente en beweeglijke kustvogels die zich in de avicultuur goed aanpassen, mits ze beschikken over voldoende ruimte, water, luchtcirculatie en sociale prikkels. Ze zijn actief, sociaal en nieuwsgierig, waardoor een gevarieerde omgeving essentieel is voor hun welzijn. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij (80–100 m² per paar, 3–4 m hoog); zand-, grind- of grasbodem met open zones en schuilplekken; ondiep bassin met helder water; rust- en nestplaatsen op eilandjes of vlakke daken.
  • Klimaat: weerbestendig; jaarrond buiten te houden; bij kou droog, tochtvrij nachthok; bij hitte schaduw en beschutting tegen zon.
  • Sociaal: kolonievogels; houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en nestgelegenheid vereist.
  • Voeding: vis, garnalen, mosselen en watervogelpellets; aanvullen met insecten of kleine hoeveelheden vlees/eieren; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon drink- en badwater.
  • Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; geen scherpe of gladde oppervlakken; rustige, gevarieerde omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
Huisvestingsrichtlijnen meeuwen

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een donkergrijze rug en vleugels met een lichte glans. De kop, nek en borst zijn helderwit, wat een sterk contrast vormt met de donkere vleugels. De vleugelpunten zijn zwart met kleine witte vlekken. De snavel is geel met een rode vlek nabij de punt. De poten zijn geel en hebben een gladde structuur. De ogen zijn lichtgeel met een smalle rode oogring. In de winter kan de kop een lichte streping vertonen.

Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft vaak een iets mattere glans op de vleugels. De kop en nek zijn eveneens wit, maar kunnen in de winter meer streping vertonen. De snavel is vergelijkbaar met die van de man, geel met een rode vlek. De poten zijn geel, maar soms iets bleker dan die van de man. De ogen zijn lichtgeel met een rode oogring, iets minder fel dan bij de man. De vleugelpunten zijn zwart met witte vlekken, net als bij de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een bruin verenkleed met een gevlekt patroon op de rug en vleugels. De kop en nek zijn lichtbruin met donkere strepen, wat een vlekkerig uiterlijk geeft. De snavel is donker met een lichtere basis, vaak grijsachtig. De poten zijn vleeskleurig en hebben een ruwe textuur. De ogen zijn donkerbruin zonder opvallende oogring. Naarmate ze ouder worden, beginnen de vleugels en rug donkerder te worden. De vleugelpunten zijn donkerbruin met minder uitgesproken witte vlekken.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed met donkere vlekken. De snavel en poten zijn donkergrijs.