Vogel
Grote sperwerkoekoek
Grote sperwerkoekoek
Hierococcyx sparverioides
Log in om deze soort toe te voegenDe Grote sperwerkoekoek behoort tot het geslacht Hierococcyx binnen de familie van Koekoeken (Cuculidae).
Deze vogel leeft in gemengde bossen van temperate en tropische streken in Zuid- en Zuidoost-Azi�, van de Himalaya tot Zuidoost-China en Indonesi�. Hij staat bekend om zijn luide, herhaalde roep en gedrag als broedparasit, waarbij hij zijn eieren aflegt in nesten van babblers en laughing-thrushes.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Koekoekachtigen (Cuculiformes)
- Bird Family
- Koekoeken (Cuculidae)
- Bird Genus
- Hierococcyx
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Koekoeken
Koekoeken zijn middelgrote insectivore vogels die voorkomen in tropische en gematigde regio’s. Veel soorten staan bekend om hun broedparasitisme, terwijl andere eigen nesten bouwen in dichte vegetatie. In de avicultuur vragen Koekoeken om ruime, beplante verblijven met schaduw, natuurlijke insectenvoeding en rust. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met struiken en open zones (25–40 m² per koppel); zitstokken op verschillende hoogtes; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, licht, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 15 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en wind.
- Sociaal: solitair of per koppel; tijdens broedperiode territoriaal; rustige, beschutte omgeving vermindert stress.
- Voeding: insecten, rupsen, wormen, krekels en larven; insectenvoer en meelwormen; aanvullen met zacht fruit; altijd schoon drinkwater aanwezig.
- Overig: dichte beplanting voor schuilgedrag; nestvoorziening afhankelijk van soort; dagelijkse hygiëne en natuurlijke lichtcyclus belangrijk voor welzijn.
Man:
De man heeft een grijsbruine kop met een subtiele blauwgrijze glans. De nek en rug zijn donkerder bruin met een lichte, bijna onzichtbare bandering. De borst is lichtgrijs met fijne, donkere strepen die naar de buik toe breder worden. De vleugels zijn donkerbruin met opvallende witte vlekken aan de randen. De staart is lang en donker met brede, witte banden. De snavel is kort en zwart met een lichte, blauwachtige was. De poten zijn geel met een gladde textuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een meer roodbruine tint op de kop en nek. De rug is donkerbruin met een duidelijke, lichte bandering. De borst is cr�mekleurig met brede, donkere strepen die naar de buik toe vervagen. De vleugels zijn donkerbruin met minder opvallende witte vlekken dan de man. De staart is donker met smalle, witte banden. De snavel is iets langer en donkergrijs met een gelige was. De poten zijn oranjegeel en iets robuuster.
Juveniel:
Juvenielen hebben een bleker verenkleed met een overwegend grijsbruine kop. De rug is lichtbruin met een onregelmatige, lichte bandering. De borst is witachtig met dunne, bruine strepen die naar de buik toe breder worden. De vleugels zijn lichtbruin met onopvallende, lichte vlekken. De staart is korter en heeft smalle, witte banden. De snavel is grijs met een gelige was. De poten zijn bleekgeel en minder stevig.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, grijs dons. De snavel en poten zijn lichtgeel en nog niet volledig ontwikkeld.