Vogel
Kleine bruine vruchtenduif
Kleine bruine vruchtenduif
Phapitreron leucotis
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine bruine vruchtenduif behoort tot het geslacht Phapitreron uit de familie van duiven (Columbidae).
De kleine bruine vruchtduif is een vogel die endemisch is in de Filipijnen, waar hij voorkomt in laagland- en bergbossen. Hij blijft meestal in dichte habitats en is vaak te horen in zijn typische hoot-ho hoot-ho geluid. Deze duif leeft van kleine vruchten en bessen, en paart van maart tot juni. Zijn populatie neemt af door habitatverlies en jacht.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Phapitreron
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een middelgrote bosduif van circa 25-27 cm lengte, slank gebouwd met een lange, licht afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend bruinachtig olijfkleurig met een zachte grijze glans op kop en nek. Kenmerkend zijn de witte oordekveren ("witte oren") die scherp contrasteren met de donkere teugel en oorstreek. De keel is lichter grijs tot vuilwit, terwijl de borst een subtiele roze tot purperen zweem kan vertonen. De vleugels zijn donkerbruin met lichtere randen en een groenige metaalglans op de dekveren. De staart heeft donkergrijze middenveren en duidelijk lichtere, bijna zilvergrijze buitenste staartpennen. De snavel is relatief lang, slank en zwart, de poten roodachtig en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is gemiddeld iets kleiner en mist vaak de opvallendere roze glans op de borst. De witte oordekveren zijn aanwezig maar minder contrastrijk. Overige kenmerken, zoals snavel, poten en staarttekening, zijn identiek.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter, egaler bruin verenkleed zonder iriserende glans en zonder duidelijke roze zweem op de borst. De witte oordekveren zijn minder helder en soms slechts vaag zichtbaar. De vleugels vertonen bredere, lichtere randen die een geschubde indruk geven. De iris is donkerbruin, de poten valer rood en de snavel grijzer.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin tot geelachtig dons. De bovenzijde is donkerder, de onderzijde vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen aanvankelijk gesloten en later donkerbruin. De kenmerkende witte oorvlek verschijnt pas na de eerste jeugdrui.