Vogel
Kleine koekoeksduif
Kleine koekoeksduif
Macropygia ruficeps
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine koekoeksduif behoort tot het geslacht Macropygia uit de familie van duiven (Columbidae)
.
Deze kleine, roodbruine koekoeksduif leeft in Zuidoost-Azi�, van Brunei tot Vietnam, in zowel altijd groene heuvelwouden als drogere bossen en cultuurlandschappen. Hij wordt vaak gezien in losse groepen en onderscheidt zich door zijn lange staart en rustige gedrag binnen diverse boshabitats van laagland tot hoge bergen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Macropygia
Ringmaat
Man 6.0 mm Vrouw 6.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een langstaartige duif van circa 40-45 cm lengte, waarvan de helft uit de opvallend lange, trapvormige staart bestaat. Het verenkleed is overwegend roodbruin tot kastanjekleurig, met een intens koperachtige glans op kop en nek. De kruin en kopbasis zijn meer kaneelrood, terwijl de rug en vleugels donkerder kastanjebruin tonen met fijne, donkere dwarsstrepen. De onderzijde is lichter roodbruin tot warm kaneel. De lange staartveren zijn donkergrijs tot zwartbruin met brede, lichtere grijsbruine uiteinden, goed zichtbaar in vlucht. De snavel is zwart, de poten donkerrood en de iris oranjerood, vaak omgeven door een smalle, grijze oogringen.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar het verenkleed is gemiddeld iets doffer en donkerder, met minder uitgesproken glans op kop en nek. De onderzijde kan meer egaal bruin zijn met zwakkere roodtinten. De staart en overige kenmerken zijn gelijk.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en donkerder van kleur. De veren op rug, vleugels en borst zijn voorzien van brede, lichtere randen waardoor een geschubde indruk ontstaat. De roodachtige glans ontbreekt grotendeels. De iris is donkerbruin in plaats van oranjerood, de poten zijn valer rood en de snavel grijzer. De staart is reeds lang, maar minder contrastrijk getekend.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, bruinachtig grijs dons. De bovenzijde is donkerder, de onderzijde vuilwit tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijs en de ogen gesloten bij geboorte. De lange staart en kenmerkende roodbruine glans ontwikkelen zich pas in de loop van de jeugdrui.