Vogel
Roodsnavelboskalkoen
Roodsnavelboskalkoen
Talegalla cuvieri
Log in om deze soort toe te voegenDe Roodsnavelboskalkoen behoort tot het geslacht Talegalla binnen de familie van Grootpoothoenders (Megapodiidae).
Deze vogel komt voor in regenwouden van westelijk Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. Hij leeft voornamelijk op de bosbodem, waar hij zich voedt met zaden, insecten en kleine dieren. Hij staat bekend om zijn schichtige gedrag en bouwt grote nesten van bladeren voor het broeden.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Grootpoothoenders (Megapodiidae)
- Bird Genus
- Talegalla
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Grootpoothoenders
Grootpoothoenders, ook wel megapoden genoemd, zijn bodembewonende hoenderachtigen uit Australazië en eilanden in de Stille Oceaan. Ze staan bekend om hun unieke broedgedrag: de eieren worden gelegd in broedhopen van aarde, bladeren en zand die door warmte en ontbinding worden verwarmd. In de avicultuur hebben deze vogels behoefte aan ruime, natuurlijke verblijven met graafmogelijkheden en een warm, stabiel klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met droge zand- of bosbodem (minimaal 40–50 m² per koppel); voorzien van bladeren, takken en graafzones; gedeeltelijk beschaduwd en goed gedraineerd; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog, warm en tochtvrij.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 22–30 °C; bij < 18 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en wind noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal, daarom per koppel afzonderlijk; rustige, natuurlijke omgeving vermindert stress.
- Voeding: allesetend met nadruk op plantaardig materiaal, zaden, vruchten, insecten en wormen; aanvullend zachtvoer en universeelvoer; tijdens kweekperiode extra dierlijk eiwit; altijd vers drinkwater beschikbaar.
- Overig: voldoende graafmogelijkheden voor nesthopen van zand, bladeren of compost; droge, schone bodem voorkomt schimmelvorming; dagelijkse controle van voer- en waterkwaliteit; rustige ligging van het verblijf aanbevolen.
Man:
De man heeft een overwegend zwart verenkleed met een subtiele groene glans. De kop is kaal en rood van kleur, wat contrasteert met de donkere nek. De borst en buik zijn donkergrijs met een lichte, matte uitstraling. Vleugels tonen een mix van zwarte en bruine veren, met versleten randen. De staartveren zijn diepzwart en hebben een lichte glans. De snavel is stevig en zwart, met een lichte kromming aan het uiteinde. De poten zijn donkergrijs en hebben een robuuste structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder glans. Haar kop is ook kaal en rood, maar iets doffer van tint. De borst en buik zijn donkergrijs, met een iets lichtere toon dan de man. Vleugels zijn donkerbruin met versleten randen, wat een verweerde indruk geeft. De staart is zwart, maar mist de glans die bij de man aanwezig is. De snavel is zwart en iets slanker dan die van de man. Poten zijn donkergrijs en iets fijner van structuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een donkerbruin verenkleed met een matte uitstraling. De kop is bedekt met fijne, bruine veren, in tegenstelling tot de kale kop van volwassenen. De borst en buik zijn lichtbruin met een subtiele bandering. Vleugels zijn donkerbruin met lichte randen, die versleten kunnen lijken. De staart is korter en donkerbruin, zonder glans. De snavel is donkergrijs en nog in ontwikkeling. Poten zijn lichtgrijs en minder robuust dan bij volwassenen.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, lichtbruin verenkleed. Hun snavel en poten zijn lichtgrijs en nog zacht.