Vogel
Tristanwaterhoen
Tristanwaterhoen
Gallinula nesiotis
Log in om deze soort toe te voegenDe Tristanwaterhoen behoort tot het geslacht Gallinula binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).
Deze vogel was endemisch op het eiland Tristan da Cunha en leefde in moerassige gebieden en dichte vegetatie. Het was een niet-vliegende soort die zich voedde met planten en kleine dieren in het water en op het land. Door jacht en introductie van roofdieren is deze soort uitgestorven rond het einde van de 19e eeuw.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
- Bird Family
- Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
- Bird Genus
- Gallinula
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Rallen en koeten
Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
- Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
- Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Man:
De man heeft een overwegend donkergrijs verenkleed met een subtiele groene glans op de vleugels. De kop en nek zijn iets donkerder dan de rest van het lichaam, met een matzwarte tint. De borst en buik vertonen een lichtere grijstint, zonder duidelijke aftekening. De snavel is kort en stevig, met een helderrode basis en een gele punt. De poten zijn olijfgroen met een lichtgele tint aan de tenen. De iris is donkerbruin, omgeven door een smalle, onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken glans. De kop en nek zijn donkergrijs, met een subtiele overgang naar een lichtere borst. De buik is egaal grijs, zonder opvallende markeringen. De snavel is iets slanker dan die van de man, met dezelfde kleurpatronen. De poten zijn iets lichter van kleur, met een grijsgroene tint. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed, met een overwegend bruingrijze tint. De kop en nek zijn lichter dan bij volwassenen, met een vaag gestreept patroon. De borst en buik zijn egaal grijsbruin, zonder duidelijke contrasten. De snavel is bleekgeel met een donkere punt, minder fel dan bij volwassenen. De poten zijn grijsachtig groen, met een matte afwerking. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zwart dons, met een lichte glans. De snavel is geelachtig met een donkere punt.