Vogel
Abessijnse specht
Abessijnse specht
Dendropicos abyssinicus
Log in om deze soort toe te voegenDe Abessijnse specht behoort tot het geslacht Dendropicos binnen de familie van Rallen, koeten (Picidae).
De Abessijnse specht is een vogel die endemisch is in de Ethiopische Hooglanden, waar hij in Eritrea en Ethiopi� voorkomt. Hij leeft in bossen van jeneverbes en Hagenia, en in gebieden met Euphorbia, tussen 1,600 en 3,000 meter boven zeeniveau. Ze zijn actief in de bomen, waar ze insecten en sap zoeken. Deze specht is een kleurrijke vogel met een gouden rug en rode stuit, en vertoont een sterk gestreepte kop en borst.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendropicos
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend rood petje op de kop, dat sterk contrasteert met de zwarte nek. De rug en vleugels zijn olijfgroen met een subtiele glans, terwijl de dekveren donkerder zijn. De borst en buik zijn lichtgeel met fijne, donkere streepjes die naar de flanken toe breder worden. De snavel is recht en zwart, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs en hebben een robuuste structuur. De iris is donkerbruin, omgeven door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw mist het rode petje en heeft in plaats daarvan een zwarte kruin. Haar rug en vleugels zijn vergelijkbaar olijfgroen als bij de man, maar met minder glans. De borst en buik zijn eveneens lichtgeel, maar de streepjes zijn minder uitgesproken. De snavel is iets korter en heeft dezelfde zwarte kleur met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs en slanker dan die van de man. De iris is donkerbruin, met een subtiele, lichte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffere olijfgroene rug en vleugels, met een minder uitgesproken glans. De kop is overwegend zwart, met enkele rode vlekken die onregelmatig verspreid zijn. De borst en buik zijn bleker geel, met vage streepjes die nauwelijks zichtbaar zijn. De snavel is korter en lichter van kleur, met een minder ontwikkelde wasachtige basis. De poten zijn grijs en minder robuust dan bij volwassen vogels. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag en hebben een onopvallende, lichte snavel. Hun ogen zijn gesloten en de poten zijn rozeachtig en zacht.