Groenrugdwergspecht

Picumnus olivaceus

Log in om deze soort toe te voegen

De Groenrugdwergspecht behoort tot het geslacht Picumnus binnen de familie van Spechten (Picidae).

Deze kleine specht komt voor van Guatemala tot Peru en leeft in diverse habitats zoals regenwoudranden, open bossen, secundair bos en tuinen. Hij foerageert op boomstammen en takken, zoekt insecten en toont vaak stil gedrag met snelle, korte bewegingen.

Groenrugdwergspecht
Olivaceous Piculet
Olivr�cken-Zwergspecht
Picumne oliv�tre

Taxonomische indeling

Bird Order
Spechtachtigen (Piciformes)
Bird Family
Spechten (Picidae)
Bird Genus
Picumnus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Spechten

Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
  • Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
  • Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Spechten

Man:
De man heeft een olijfkleurig verenkleed met een subtiele glans. De kop is donkerder met een roodachtige tint op de kruin. De nek en borst zijn lichter, met een geleidelijke overgang naar de buik. De vleugels vertonen een fijn patroon van lichte en donkere strepen. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming. De poten zijn grijsachtig met een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omgeven door een dunne, lichte oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar olijfkleurig verenkleed, maar mist de rode tint op de kruin. De kop is egaal olijfkleurig, zonder opvallende markeringen. De borst en buik zijn iets lichter dan de rest van het lichaam. De vleugels hebben een subtiele bandering, minder uitgesproken dan bij de man. De snavel is eveneens kort en zwart, met een rechte vorm. De poten zijn grijs en hebben een iets ruwere textuur. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer olijfkleurig verenkleed zonder glans. De kop is uniform van kleur, zonder rode of opvallende markeringen. De borst en buik zijn vaal en minder contrasterend met de rest van het lichaam. De vleugels vertonen een vage bandering, die nauwelijks opvalt. De snavel is kort en grijsachtig, met een lichte kromming. De poten zijn bleekgrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donker, zonder duidelijke oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is kort en lichtgrijs van kleur.