Vogel
Groenrugspecht
Groenrugspecht
Campethera maculosa
Log in om deze soort toe te voegenDe Groenrugspecht behoort tot het geslacht Campethera binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze opvallende groene specht is in Afrika te vinden in bosranden, open plekken en gebieden met een afwisseling van bos en struikgewas. De soort leeft vooral in West-Afrika en is aangepast aan diverse secundaire en primaire bossen tot op duizend meter hoogte. Ze foerageren vaak laag in de begroeiing, op zoek naar insecten en larven, waarbij beide geslachten actief bijdragen aan het zoeken naar voedsel en het uitgraven van nestholtes. Groene bovendelen en een licht gespikkelde onderzijde maken deze vogel goed gecamoufleerd in zijn natuurlijke leefomgeving.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Campethera
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend groen verenkleed met een lichte glans. De kop is rood met fijne zwarte stippen. De nek en borst zijn geelachtig met een subtiele groene tint. De buik toont een patroon van witte en zwarte vlekken. De vleugels zijn donkerder groen met lichte randen. De snavel is recht en grijs met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs met een gladde structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een overwegend groen verenkleed met een matte uitstraling. De kop is geel met zwarte stippen, zonder rood. De nek en borst zijn lichtgeel met een groene zweem. De buik heeft een patroon van witte en zwarte vlekken, minder contrasterend dan bij de man. De vleugels zijn donkerder groen met subtiele lichte randen. De snavel is recht en grijs, iets korter dan bij de man. De poten zijn grijs met een gladde structuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer groen verenkleed met een matte finish. De kop is geelachtig met verspreide zwarte stippen. De nek en borst zijn lichtgroen met een vage gele tint. De buik toont een minder uitgesproken patroon van witte en zwarte vlekken. De vleugels zijn donkerder groen met versleten lichte randen. De snavel is korter en grijzer dan bij volwassenen. De poten zijn grijs met een ruwe structuur.
Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig geel verenkleed met een lichte groene tint. De snavel is kort en lichtgrijs.