Guadeloupespecht

Melanerpes herminieri

Log in om deze soort toe te voegen

De Guadeloupespecht behoort tot het geslacht Melanerpes binnen de familie van Spechten (Picidae).

De tapuit van Guadeloupe is een middelgrote, volledig zwarte specht met roodpaarse glans op het buikverenkleed en komt uitsluitend voor op het eiland Guadeloupe in het Cara�bisch gebied. Hij leeft voornamelijk in tropische regenwouden, maar heeft zich ook aangepast aan meer open bosgebieden door toenemende verstedelijking. Deze vogel is vooral insectivoor, eet af en toe kleine gewervelde dieren zoals boombewonende kikkers, broedt solitair in zelfgemaakte boomholen en bewoont zijn nest meestal hoog in dode bomen, met name palmen. Jongen blijven maandenlang bij de ouders.

Guadeloupespecht
Guadeloupe Woodpecker
Guadeloupespecht
Pic de Guadeloupe

Taxonomische indeling

Bird Order
Spechtachtigen (Piciformes)
Bird Family
Spechten (Picidae)
Bird Genus
Melanerpes

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Spechten

Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
  • Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
  • Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Spechten

Man:
De man heeft een glanzend zwarte kop en nek met een subtiele blauwe gloed. De borst en buik zijn diepzwart, zonder zichtbare markeringen of patronen. Vleugels en rug tonen een lichte, iriserende glans, vooral in direct zonlicht. De staartveren zijn egaal zwart met een lichte, matte afwerking. De snavel is recht en zwart, met een stevige basis. Poten zijn donkergrijs met een gladde textuur. De ogen hebben een donkere iris, omringd door een dunne, zwarte oogring.

Vrouw:
De vrouwelijke vogel heeft een minder glanzende kop en nek, met een meer matte zwarte tint. De borst en buik zijn eveneens zwart, maar met een iets doffere uitstraling dan de man. Vleugels en rug vertonen minder iriserende glans, met een uniforme zwarte kleur. De staart is vergelijkbaar met die van de man, maar iets minder glanzend. De snavel is zwart en iets slanker dan die van de man. Poten zijn donkergrijs, met een iets ruwere structuur. De ogen hebben een donkere iris met een subtiele, zwarte oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer zwart verenkleed, met een minder uitgesproken glans op kop en nek. De borst en buik zijn zwart, maar met een vage, bruine tint. Vleugels en rug zijn donker, met een matte afwerking en weinig glans. De staartveren zijn zwart, met een enigszins versleten uiterlijk. De snavel is donkergrijs en iets korter dan bij volwassenen. Poten zijn grijs, met een nog niet volledig ontwikkelde structuur. De ogen zijn donker, met een onopvallende oogring.

Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig, zwart verenkleed met een lichte, bruine tint. De snavel is kort en grijsachtig.