Vogel
Himalayaspecht
Himalayaspecht
Dendrocopos himalayensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Himalayaspecht behoort tot het geslacht Dendrocopos binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze vogelsoort bewoont de boreale en gematigde bossen van de Himalaya, waarbij ze voornamelijk voorkomt op een hoogte van 1,500 tot 3,200 meter. Ze is te vinden in landen zoals Afghanistan, India, Nepal, Bhutan en Pakistan. Het is een solitair dier dat voornamelijk op boomstammen en grote takken foerageert, maar soms ook op de grond komt. Het dieet bestaat uit insecten, fruit, zaden en sap. Een uniek kenmerk is het gebruik van stenen om zaden uit dennenkegels te halen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendrocopos
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallende rode vlek op de achterkop. Zijn verenkleed is overwegend zwart-wit met een glanzende zwarte rug. De vleugels vertonen een patroon van witte strepen en zwarte banden. De borst en buik zijn wit met een lichte cr�mekleurige tint. De snavel is recht en grijs met een lichte glans. De poten zijn grijs met een stevige structuur. De iris is roodbruin, wat contrasteert met de zwarte oogring.
Vrouw:
De vrouw mist de rode vlek op de achterkop, wat haar onderscheidt van de man. Haar verenkleed is verder vergelijkbaar met dat van de man, met een zwart-wit patroon. De vleugels hebben dezelfde witte strepen en zwarte banden. De borst en buik zijn wit, soms met een subtiele cr�mekleurige tint. De snavel is eveneens recht en grijs, maar iets matter. De poten zijn grijs en robuust. De iris is roodbruin, omgeven door een zwarte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffere kleur dan volwassen vogels, met een minder uitgesproken zwart-wit patroon. De kop heeft vaak een vage rode vlek, die bij beide geslachten voorkomt. De vleugels zijn minder contrastrijk, met vervaagde witte strepen. De borst en buik zijn vuilwit met een grijze waas. De snavel is korter en matter grijs. De poten zijn lichter grijs en minder robuust. De iris is donkerbruin, met een minder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijs dons. Hun snavel is kort en lichtgrijs.