Vogel
Kleine grijze specht
Kleine grijze specht
Dendropicos elachus
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine grijze specht behoort tot het geslacht Dendropicos binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine specht komt voor in verschillende West- en Centraal-Afrikaanse landen, voornamelijk in de droge savanne met verspreide bomen en struiken. Hij voedt zich vooral met insecten die hij uit boomschors hakt, met name in acacia�s. Broedseizoen varieert van oktober tot mei, waarbij nesten worden gebouwd in boomtakken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Dendropicos
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend rood petje dat scherp contrasteert met de zwarte nek. Zijn rug is olijfgroen met subtiele, lichtere vlekken die een gevlekt patroon vormen. De vleugels zijn donker met lichte randen, wat een gestreept effect geeft. De borst en buik zijn cr�mekleurig met fijne, donkere streepjes. De snavel is recht en zwart, met een lichte glans. De poten zijn grijs en hebben een robuuste structuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw mist het rode petje en heeft in plaats daarvan een olijfgroene kruin. Haar nek is donker met een subtiele, lichtere schaduw. De rug is vergelijkbaar met die van de man, maar de vlekken zijn minder uitgesproken. De vleugels vertonen dezelfde donkere en lichte strepen. De borst en buik zijn cr�mekleurig, met iets minder duidelijke streepjes. De snavel is zwart en iets korter dan die van de man. De poten zijn grijs en slank, met een fijne structuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een bruinachtige tint op de rug en vleugels. De kop is minder contrastrijk, met een vaag roodachtige tint op de kruin. De borst en buik zijn lichter, met onregelmatige, donkere vlekken. De snavel is korter en lichter van kleur, met een matte afwerking. De poten zijn grijs en minder robuust dan bij volwassen vogels. De iris is donker, met een nauwelijks zichtbare oogring. De algehele indruk is minder scherp en meer diffuus.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. Hun snavel is kort en lichtgrijs van kleur.