Vogel
Orinocodwergspecht
Orinocodwergspecht
Picumnus pumilus
Log in om deze soort toe te voegenDe Orinocodwergspecht behoort tot het geslacht Picumnus binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine spechtensoort komt voor in vochtige laaglandbossen en bosranden van delen in Brazili�, Colombia en Venezuela. Hij zoekt naar kleine insecten, vooral in de lagere boslagen tot aan de kruin. Het is een standvogel met ongedocumenteerde zang en een vermoedelijke broedtijd in november en december.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Picumnus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit gestreepte kop met een subtiele rode vlek op de kruin. De nek en rug zijn donkerbruin met een lichte glans, terwijl de vleugels een meer matte afwerking hebben. De borst en buik zijn lichtgrijs met fijne, donkere streepjes die naar de flanken toe intenser worden. De staart is kort en zwart met witte uiteinden, wat een scherp contrast biedt. De snavel is kort en zwart, met een licht gebogen vorm. De poten zijn grijs met een gladde textuur, en de ogen hebben een donkere iris met een dunne, witte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbare zwart-wit gestreepte kop, maar mist de rode vlek van de man. Haar nek en rug zijn eveneens donkerbruin, maar met een iets mattere uitstraling. De vleugels zijn donker met subtiele, lichtere randen die bij versleten veren minder zichtbaar zijn. De borst en buik zijn lichtgrijs met een fijnere streping dan bij de man. De staart is kort en zwart, met minder uitgesproken witte uiteinden. De snavel is kort, zwart en recht, met een iets bredere basis. De poten zijn grijs en hebben een iets ruwere textuur dan die van de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een minder uitgesproken streeppatroon op de kop, zonder de rode vlek van volwassen mannen. De nek en rug zijn doffer bruin, met een meer uniforme kleur zonder glans. De vleugels zijn donker met vaag zichtbare lichte randen, die bij slijtage vervagen. De borst en buik zijn lichtgrijs met een vage streping, minder intens dan bij volwassenen. De staart is kort en zwart, met nauwelijks zichtbare witte uiteinden. De snavel is kort, zwart en iets smaller dan bij volwassenen. De poten zijn grijs en hebben een gladde textuur, vergelijkbaar met die van de man.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag die de huid nauwelijks bedekt. De snavel is kort en lichtgrijs, met een zachte textuur.