Vogel
Roodkruinspecht
Roodkruinspecht
Melanerpes rubricapillus
Log in om deze soort toe te voegenDe Roodkruinspecht behoort tot het geslacht Melanerpes binnen de familie van Spechten (Picidae).
De roodkruinspecht is een opvallende, relatief kleine vogel met een zwart-wit gebandeerde rug en vleugels en, bij het mannetje, een rode kruin. Hij komt voor van Costa Rica via Panama en Colombia tot Venezuela, de Guyana�s, Suriname en Tobago, veelal in laaglandbossen en open gebieden tot 1900 meter. Het is een standvogel die jaarrond territoriaal is en vooral leeft van insecten, vruchten en nectar. Het broedseizoen loopt vrijwel het hele jaar door, met een piek van januari tot maart. Hij nestelt in zelfgehakte holen in bomen, is monogaam en beide ouders verzorgen de jongen, die ongeveer een maand in het nest blijven.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Melanerpes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallende rode kruin die sterk contrasteert met de zwarte nek. De rug is grijs met een subtiele glans, terwijl de vleugels donkerder zijn met lichte bandering. De borst en buik zijn lichtgrijs, zonder opvallende markeringen. De snavel is recht en zwart, met een lichte glans. De poten zijn donkergrijs en hebben een robuuste structuur. De iris is donkerbruin, omgeven door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een minder opvallende kruin, met een grijze tint in plaats van rood. De nek en rug zijn vergelijkbaar met die van de man, maar iets doffer. De vleugels vertonen dezelfde lichte bandering, maar met minder contrast. De borst en buik zijn egaal lichtgrijs, zonder markeringen. De snavel is iets korter en donkergrijs. De poten zijn eveneens donkergrijs, met een iets fijnere structuur. De iris is donkerbruin, met een subtiele oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend grijs verenkleed met een matte uitstraling. De kruin is minder uitgesproken en neigt naar grijs. De vleugels zijn donkerder met een vage bandering die minder duidelijk is. De borst en buik zijn lichtgrijs, met een iets vlekkerige textuur. De snavel is korter en lichter van kleur dan bij volwassenen. De poten zijn lichtgrijs en minder robuust. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is kort en lichtgrijs van kleur.