Vogel
Litaspecht
Litaspecht
Piculus litae
Log in om deze soort toe te voegenDe Litaspecht behoort tot het geslacht Piculus binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze spechtensoort komt voor in westelijk Colombia en noordwestelijk Ecuador, waar hij leeft in bosrijke gebieden. Hij voedt zich voornamelijk met insecten, die hij zoekt door op boomstammen te tikken. De vogel is opvallend door zijn gedragswijze en roffelgeluiden, typisch voor spechten die hun territorium markeren en voedsel zoeken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Piculus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een olijfgroen verenkleed met een lichte, goudgele glans op de rug. De kop is felrood, wat sterk contrasteert met de groene nek. De borst is lichtgeel met subtiele, donkere strepen die naar de buik toe vervagen. Vleugels zijn donkerder groen met lichte, gele randen aan de dekveren. De snavel is recht en zwart, met een lichte wasachtige basis. Poten zijn grijs met een gladde textuur. De iris is helder oranje, wat opvalt tegen de donkere oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar olijfgroen verenkleed, maar mist de rode kop van de man. In plaats daarvan is de kop lichtgroen met een gele tint. De borst is iets bleker geel met meer uitgesproken donkere strepen. Vleugels zijn gelijk aan die van de man, maar met minder glans. De snavel is iets korter en donkergrijs, zonder wasachtige basis. Poten zijn eveneens grijs, maar met een iets ruwere structuur. De iris is lichtoranje, met een subtiele, donkere oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer groen verenkleed met een matte afwerking. De kop is olijfgroen met een vage, gele tint. De borst is lichtgeel met onregelmatige, donkere vlekken die naar de buik toe vervagen. Vleugels zijn minder contrasterend, met vaag gele randen aan de dekveren. De snavel is korter en lichter grijs, zonder wasachtige basis. Poten zijn lichtgrijs met een gladde textuur. De iris is bleekgeel, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is kort en lichtgeel van kleur.