Vogel
Oosterse tortel (orientalis)
Oosterse tortel (orientalis)
Streptopelia orientalis orientalis
Log in om deze soort toe te voegenDe Oosterse tortel (orientalis) behoort tot het geslacht Streptopelia uit de familie van duiven (Columbidae)
.
De Oosterse tortel is een in Azië breed voorkomende duivensoort, die vooral leeft in open, licht beboste gebieden maar ook aangetroffen wordt in parken en tuinen. In het broedseizoen verkiest deze vogel bosranden en struwelen, terwijl hij in de winter vaak in opener terrein te vinden is, mits er bomen aanwezig zijn. De soort voedt zich voornamelijk met zaden en foerageert op de grond. De noordelijke populaties trekken in de winter naar warmere streken tot in India en Zuidoost-Azië, terwijl zuidelijke vogels standvogel zijn. Kenmerkend zijn de rustige roep en het bouwen van een eenvoudig nest in bomen, waarin meestal twee witte eieren worden gelegd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Streptopelia
Ringmaat
Man 6.0 mm Vrouw 6.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een middelgrote tortelduif van circa 30-33 cm lengte. Het verenkleed is overwegend kastanjebruin met donkere centra op de dekveren, waardoor een duidelijke geschubde tekening ontstaat. De kop en nek zijn grijzer van tint dan bij andere ondersoorten. Op de zijkant van de nek bevindt zich de karakteristieke zwart-wit gebandeerde vlek. De borst is lichtroze tot grijsroze, de buik vuilwit. De vleugels hebben brede kastanjebruine randen die contrasteren met de donkere slagpennen. De staart is lang, donkergrijs met een brede, lichtere eindband. De snavel is zwart, de iris oranjerood omgeven door een smalle, blauwgrijze oogring. De poten zijn rood.
Vrouw:
Het vrouwtje is nagenoeg identiek aan het mannetje, maar gemiddeld iets kleiner en matter gekleurd. De roze tint op de borst is bleker en de schubtekening minder contrastrijk.
Juveniel:
Juvenielen zijn grijzer en doffer van tint, zonder de uitgesproken roze borst. De rug en vleugels zijn bruin met brede lichte randen, waardoor een zachter geschubd patroon zichtbaar is. De nekvlek is afwezig of slechts zwak aangegeven. De iris is donkerbruin, de oogring bleekgrijs en de poten valer rood.
Kuiken:
Kuikens zijn nestblijvers, bedekt met dun, grijsbruin dons. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen gesloten bij geboorte. De kenmerkende nekvlek en kastanjebruine schubtekening ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.