Vogel
Witstaartsneeuwhoen
Witstaartsneeuwhoen
Lagopus leucura
Log in om deze soort toe te voegenDe Witstaartsneeuwhoen behoort tot het geslacht Lagopus binnen de familie van Ruigpoothoenders (Phasianidae).
Deze kleine toendravogel leeft permanent in hoge berggebieden boven de boomgrens, van Alaska en westelijk Canada tot noordelijk New Mexico. Ze nestelen in alpine tundra op rotsachtige, open hellingen. Hun verenkleed is aangepast aan de seizoenen en ze lopen meestal meer dan vliegen om energie te sparen. In de winter vinden ze beschutting in sneeuwbanken en eten voornamelijk wilgenknoppen en ander hoogalpien plantaardig voedsel.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lagopus
Ringmaat
Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mmWelzijnsadviezen
Ruigpoothoenders
Ruigpoothoenders, waaronder korhoenders, hazelhoenders en sneeuwhoenders, zijn vogels uit koelere streken die zich goed aanpassen aan bosrijke of bergachtige gebieden. In de avicultuur vragen ze om rustige, ruime volières met natuurlijke begroeiing, schaduw en beschutting. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (30–50 m² per paar, ≥ 2,5 m hoog) met zand-, aarde- of grasbodem; afwisseling van open zones en beplanting (struiken, varens, coniferen) voor beschutting; droog nacht- of rusthok (3–5 m² per paar) bij slecht weer of kou.
- Klimaat: koudetolerant; jaarrond buiten te houden mits droog en tochtvrij; natte omstandigheden vermijden; in warme klimaten schaduw en ventilatie voorzien.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriale hanen – aparte verblijven aanbevolen; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fazanten- of hoendervoer aangevuld met zaden, bessen, knoppen en bladgroen; in kweek extra insecten of meelwormen; grit en maagkiezel altijd beschikbaar; dagelijks vers water.
- Overig: regelmatig schoonmaken van verblijven om parasieten en schimmel te voorkomen; natuurlijke beplanting bevordert welzijn; harde geluiden en plotselinge verstoringen vermijden.
Man:
De man heeft een helder wit verenkleed in de winter, met een lichte glans. In de zomer is het verenkleed bruin met zwarte vlekken, vooral op de rug en vleugels. De kop en nek zijn donkerder, met een duidelijke scheiding van de lichtere borst. De snavel is kort en zwart, met een lichte wasachtige structuur. De poten zijn volledig bevederd, wat een wollig uiterlijk geeft. De ogen hebben een donkere iris met een subtiele rode oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een bruin verenkleed met fijne zwarte en witte bandering in de zomer. In de winter is het verenkleed overwegend wit, met enkele bruine vlekken op de rug. De kop is iets lichter dan de rest van het lichaam, met een zachte overgang naar de nek. De snavel is kort en zwart, zonder opvallende was. De poten zijn dicht bevederd, wat bescherming biedt tegen de kou. De ogen hebben een donkere iris met een minder opvallende oogring dan de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een gemengd verenkleed van bruin en wit, met een vlekkerig patroon. De kop is overwegend bruin, met lichtere vlekken rond de ogen. De borst en buik zijn lichter, met een subtiele bandering. De snavel is kort en donkergrijs, met een matte afwerking. De poten zijn gedeeltelijk bevederd, met zichtbare schubben. De ogen hebben een donkere iris zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, geelbruin dons. Ze hebben donkere strepen op de rug voor camouflage.