Vogel
Indische aalscholver
Indische aalscholver
Phalacrocorax fuscicollis
Log in om deze soort toe te voegenDe Indische aalscholver behoort tot het geslacht Phalacrocorax binnen de familie van Aalscholvers (Phalacrocoracidae).
Deze zeevogel komt voor in de laaglanden van Pakistan, India, Sri Lanka en delen van Zuidoost-Azi�, waar hij vooral leeft langs binnenwateren zoals meren, rivieren en moerassen. Hij is gregair en vaart vaak in groepen, waarbij hij actief duikt om prooidieren te vangen. De vogel broedt meestal in kolonies nabij visrijke wateren en is niet bedreigd volgens de Rode Lijst van de IUCN.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Aalscholvers (Phalacrocoracidae)
- Bird Genus
- Phalacrocorax
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Aalscholvers
Aalscholvers zijn visetende watervogels die veel tijd doorbrengen in en rond het water. In de avicultuur vragen zij om ruime waterpartijen, zitplaatsen om te drogen, en beschutte plekken om te rusten en broeden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (40–60 m² per paar) met ≥ 50% wateroppervlak; waterdiepte 2–3 m; droog eiland of rotsen voor rust en drogen van veren.
- Klimaat: gematigde soorten buiten bij ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij bij > 10 °C; goede ventilatie zonder tocht.
- Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte; tijdens broedseizoen extra ruimte of visuele afscheiding tussen paren.
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, spiering, forel, sardine); aanvulling met vitaminen en mineralen; altijd vers drinkwater.
- Overig: schoon, doorstroomd water; stevige zitplaatsen of rotsen op verschillende hoogten; rustige omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een donkerbruin verenkleed met een lichte glans op de vleugels. De kop en nek zijn iets donkerder dan de rest van het lichaam. De borst en buik vertonen een subtiele lichtere tint, wat zorgt voor een zacht contrast. De vleugeldekveren hebben een lichte rand, die bij oudere vogels versleten kan zijn. De snavel is lang en slank, met een grijze kleur en een lichte kromming aan het uiteinde. De poten zijn donkergrijs en hebben een robuuste structuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder glans. De kop en nek zijn iets lichter, met een subtiele bruine tint. De borst en buik zijn egaal van kleur, zonder opvallende contrasten. De vleugeldekveren hebben een iets bredere lichte rand dan bij de man. De snavel is iets korter en dikker, met een gelige tint aan de basis. De poten zijn donkergrijs, maar iets slanker dan die van de man. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een overwegend bruine kleur. De kop en nek zijn lichter dan de rest van het lichaam, met een grijsachtige tint. De borst en buik zijn egaal bruin, zonder duidelijke contrasten. De vleugeldekveren hebben een brede lichte rand, die na verloop van tijd verslijt. De snavel is korter en dikker dan bij volwassenen, met een grijze kleur. De poten zijn lichtgrijs en hebben een gladde structuur. De iris is lichtbruin, met een subtiele oogring.
Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig, lichtbruin verenkleed zonder glans. De snavel is kort en geelachtig van kleur.