Wilcocks honingspeurder

Indicator willcocksi

Log in om deze soort toe te voegen

De Wilcocks honingspeurder behoort tot het geslacht Indicator binnen de familie van Honingspeurders (Indicatoridae).

Deze vogel komt voor in de tropische gebieden van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone tot Oeganda en Congo. Hij leeft in bossen en gemengde habitats en staat bekend als broedparasiet, wat betekent dat hij zijn eieren in het nest van andere vogels legt. Zijn gedrag is vaak schuw en hij is gespecialiseerd in het zoeken naar bijenwas.

Wilcocks honingspeurder
Willcocks's Honeyguide
Guineahoniganzeiger
Indicateur de Willcocks

Taxonomische indeling

Bird Order
Spechtachtigen (Piciformes)
Bird Family
Honingspeurders (Indicatoridae)
Bird Genus
Indicator

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Honingspeurders

Honingspeurders zijn kleine insectivore vogels uit Afrika en Azië, bekend om hun samenwerking met mensen en dieren bij het opsporen van bijennesten. Ze voeden zich met bijenlarven, was en honing en leven in halfopen bossen en savannes. In de avicultuur hebben ze behoefte aan warme, goed beplante verblijven met insectenrijke voeding en rustige omstandigheden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: halfopen buitenverblijf met struiken en takken (15–20 m² per koppel); binnenverblijf ± 1–2 m² per vogel, droog en licht; natuurlijke inrichting met bloeiende planten voor insectenactiviteit.
  • Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 15 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; tocht vermijden.
  • Sociaal: te houden in paren of kleine groep; buiten broedtijd vreedzaam; rustige, prikkelarme omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
  • Voeding: insecten, wasmotlarven, honingwater, meelwormen en universeelvoer; aanvullen met zacht fruit; dagelijks schoon water en badmogelijkheid.
  • Overig: natuurlijke beplanting en insectenaanbod essentieel; voer- en drinkbakken dagelijks reinigen; geen nestkasten nodig; stressarme omgeving aanbevolen.
Huisvestingsrichtlijnen Honingspeurders

Man:
De man heeft een overwegend olijfkleurig verenkleed met een subtiele goudgele glans op de rug. De kop is donkerder met een lichte, bijna onmerkbare, grijze tint op de kruin. De borst en buik zijn lichter, met een gele ondertoon die naar de flanken toe vervaagt. De vleugels zijn donkerder met een lichte, versleten rand aan de dekveren. De staart is kort en heeft een donkere bandering aan de uiteinden. De snavel is kort en stevig, met een grijze kleur en een lichte wasachtige basis. De poten zijn donkergrijs met een gladde structuur.

Vrouw:
De vrouw heeft een doffer verenkleed dan de man, met een meer uniforme olijfbruine tint. De kop is minder contrastrijk, met een subtiele, matte grijze waas. De borst en buik zijn egaal van kleur, zonder de gele ondertoon die bij de man zichtbaar is. De vleugels hebben een minder uitgesproken versleten rand, maar behouden een donkere basis. De staart is vergelijkbaar met die van de man, maar met minder duidelijke bandering. De snavel is iets slanker en heeft een lichtere grijstint. De poten zijn vergelijkbaar in kleur, maar iets lichter van toon.

Juveniel:
Juvenielen hebben een meer gedempte kleurstelling, met een overwegend bruingrijs verenkleed. De kop is egaal van kleur, zonder de glans die bij volwassen vogels zichtbaar is. De borst en buik zijn lichtbruin, met een vage, onregelmatige vlekkenpatroon. De vleugels zijn donkerder, met een onopvallende, versleten rand aan de dekveren. De staart is kort en heeft een onduidelijke bandering. De snavel is kort en bleekgrijs, met een zachte wasachtige basis. De poten zijn lichtgrijs en hebben een gladde textuur.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijsachtige donslaag. De snavel is klein en bleek van kleur.