Vogel
Ibissnavel
Ibissnavel
Ibidorhyncha struthersii
Log in om deze soort toe te voegenDe Ibissnavel behoort tot het geslacht Ibidorhyncha binnen de familie van Honingspeurders (Ibidorhynchidae).
Deze steltloper leeft op grote hoogten langs kiezelrijke rivieroevers in de Himalaya en Centraal-Azi�. Hij foerageert door met zijn gebogen snavel insecten en andere ongewervelden onder stenen vandaan te halen. In de winter verzamelt hij zich in kleine groepjes op lagere plekken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Ibissnavels (Ibidorhynchidae)
- Bird Genus
- Ibidorhyncha
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Ibissnavels
De Ibissnavel is een middelgrote steltloper uit de berggebieden van Centraal-Azië. Deze vogel leeft langs kiezelrijke rivieren en voedt zich met insecten en kleine waterdieren. In de avicultuur vraagt de Ibissnavel om een natuurlijk ingericht verblijf met ondiep stromend water, grindoevers en rustige omstandigheden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver of beekloop (hanteer 30–40 m² per koppel); waterdiepte 10–30 cm met grindbodem; landgedeelte met zand en lage begroeiing; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: gematigd/bergachtig; temperatuur 5–25 °C; bij vorst beschutte binnenruimte; goed drainerende bodem en schaduw in de zomer.
- Sociaal: te houden per koppel; territoriaal tijdens broedtijd; vreedzaam buiten het seizoen; rustige ligging vermindert stress.
- Voeding: insecten, larven, kleine weekdieren en wormen; in avicultuur insectenrijk watervogelvoer, meelwormen, bloedwormen en kreeftjes; altijd vers of stromend water aanwezig.
- Overig: grind- of kiezelzones essentieel voor natuurlijk gedrag; dagelijkse waterverversing en reiniging; broedplek op open grindbank of zandzone voorzien.
Man:
De man heeft een opvallend zwart-wit verenkleed met een glanzende zwarte kop en nek. De borst is helder wit, wat sterk contrasteert met de donkere vleugels. De vleugels hebben een subtiele grijze tint met lichte randen. De buik is wit met een lichte grijze zweem naar de flanken toe. De snavel is lang, dun en felrood, wat een opvallend kenmerk is. De poten zijn eveneens rood, wat bijdraagt aan het contrasterende uiterlijk.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder glans op de kop. De borst is wit, maar de grijze tint op de flanken is iets prominenter. De vleugels zijn donker met een subtiele bruine tint en lichte randen. De snavel is iets korter en minder felrood dan die van de man. De poten zijn rood, maar iets doffer van kleur. De iris is donkerbruin, wat contrasteert met de lichte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een meer bruine tint op de kop en nek. De borst is wit, maar de vleugels hebben een meer gevlekte uitstraling met bruine en grijze tinten. De buik is wit met een lichte bruine zweem, vooral naar de flanken toe. De snavel is korter en oranje-rood, minder fel dan bij volwassenen. De poten zijn bleek oranje, wat minder opvallend is. De iris is donker met een onopvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, donzig verenkleed dat voornamelijk grijsbruin is. De snavel en poten zijn bleekgeel, wat later donkerder wordt.