Vogel
Dwergpinguïn
Dwergpinguïn
Eudyptula minor
Log in om deze soort toe te voegenDe Dwergpinguïn (synoniem: Dwergpinguin) behoort tot het geslacht Eudyptula binnen de familie van Pinguins (Spheniscidae).
Deze kleine pinguïn leeft langs de kusten van Zuid-Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland, waar hij nestelt in holen in zand of rotsen. Hij is een behendige duiker die vooral vis vangt in ondiep water. Beide ouders zorgen samen voor de jongen, die na negen weken uitvliegen. Buiten het broedseizoen verblijven ze vooral op zee.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Pinguïns (Sphenisciformes)
- Bird Family
- Pinguïns (Spheniscidae)
- Bird Genus
- Eudyptula
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Pinguins
Pinguïns zijn gespecialiseerde zeevogels die afhankelijk zijn van waterpartijen, veel zwemruimte en aangepaste klimaatomstandigheden. De inrichting van hun verblijf moet aansluiten bij hun natuurlijke gedrag en klimaateisen. Het welzijn van deze soort vraagt om zorgvuldige aandacht voor leefomgeving en huisvesting.
De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: verblijf met ca. 50% water en 50% land; bassin ≥ 2 m diep; droog en stroef landgedeelte met schuilplekken.
- Klimaat: gematigde soorten buiten met vorstvrij nachtverblijf; koudeminnende soorten gekoeld binnenverblijf (rond vriespunt).
- Sociaal: groeps- of koloniehuisvesting aanbevolen; in broedseizoen nestgelegenheid (stenen of kunstmatige holen).
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, sardine, ansjovis) met supplementen indien nodig; altijd schoon drink- en zwemwater.
- Overig: hygiëne belangrijk – bassin en landgedeelte regelmatig reinigen; verblijf met rotspartijen, variërende dieptes en verrijking.
Man:
De man heeft een donkerblauw verenkleed op de rug en vleugels, met een lichte glans. De kop is iets donkerder dan de nek, met een subtiele overgang naar de borst. De borst en buik zijn helderwit, wat een sterk contrast vormt met de donkere bovenzijde. De snavel is kort en zwart, met een licht gebogen vorm. De poten zijn bleekroze met een enigszins schubbige textuur. De ogen hebben een donkerbruine iris, omringd door een smalle, onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met een iets mattere glans. De rug en vleugels zijn donkerblauw, terwijl de kop iets lichter is dan bij de man. De borst en buik zijn eveneens wit, maar de overgang is minder scherp. De snavel is iets slanker en minder gebogen dan die van de man. De poten zijn ook bleekroze, maar vaak iets minder robuust. De ogen hebben dezelfde donkerbruine iris, met een subtiele oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een grijzer verenkleed op de rug en vleugels, met een matte uitstraling. De kop is lichter dan bij volwassen vogels, met een vage overgang naar de nek. De borst en buik zijn vuilwit, met een minder duidelijk contrast. De snavel is korter en lichter van kleur, vaak met een grijze tint. De poten zijn bleekroze, maar met een gladdere textuur. De ogen zijn donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijs verenkleed dat geleidelijk lichter wordt naar de buik. De snavel en poten zijn aanvankelijk donkerder, maar worden lichter naarmate ze ouder worden.