Vogel
Indische Slangenhalsvogel
Indische Slangenhalsvogel
Anhinga melanogaster
Log in om deze soort toe te voegenDe Indische Slangenhalsvogel (synoniem: Indische Slangehalsvogel, Indische Slangenhalsvogel of Slangenhalsvogel) behoort tot het geslacht Anhinga binnen de familie van Seriema's (Anhingidae).
De Indische slangenhalsvogel is een fascinerende watervogel die behoort tot de familie van de slangenhalsvogels. Deze vogel wordt gemiddeld 91 centimeter lang en weegt tussen 1 tot 2 kilogram. Hij is vooral te vinden in zoetwaterbeken, meren en rivieren in de tropen van de Oude Wereld, met voorkomen in gebieden zoals Sri Lanka. De slangenhalsvogel verschilt van aalscholvers door zijn smalle, scherpe snavel en heeft volledig zwemvliezen met korte benen die ver naar achteren op het lichaam zijn geplaatst. Zijn verenkleed is enigszins doorlaatbaar, vergelijkbaar met dat van aalscholvers, en hij spreidt zijn vleugels uit om te drogen na het duiken. Deze vogelsoort is over het algemeen een verlegen vogel die moeilijk waar te nemen is.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Slangenhalsvogels (Anhingidae)
- Bird Genus
- Anhinga
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Slangenhalsvogels
Slangenhalsvogels zijn tropische watervogels die sterk lijken op aalscholvers, maar een langere hals hebben en gespecialiseerd zijn in het jagen op vis onder water. In de avicultuur vragen ze om ruime waterverblijven met helder, diep water en voldoende rust- en droogplekken. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met wateroppervlak (80–100 m² per koppel, 1,5–3 m diep) voor duiken; helder water met filtratie of doorstroming; hoge zitplaatsen boven water om te drogen; landgedeelte ± 20–30 m² met gras of zand; binnenverblijf ± 6–8 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur boven 18 °C; bij lagere waarden verwarmd binnenverblijf vereist; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen wind en regen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte of afscheiding voorkomt agressie; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: verse of ontdooide vis (haring, sprot, forel); aanvullen met garnalen, mosselen of insectenlarven; in kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door verversing of filtratie; voldoende droge rustplaatsen voor verenzorging; gladde oppervlakken vermijden om pootproblemen te voorkomen.
Man:
De man heeft een glanzend zwart verenkleed met een groene metaalachtige glans. De nek is slanker en donkerder dan de rest van het lichaam. De vleugels vertonen een subtiele zilverachtige rand aan de dekveren. De borst en buik zijn diepzwart zonder zichtbare markeringen. De snavel is lang, recht en geelachtig van kleur. De poten zijn donkergrijs met een gladde textuur. De iris is helder rood met een onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een bruinachtig verenkleed met een matte uitstraling. De nek is lichter van kleur, met een beige tint. De vleugels hebben een minder uitgesproken zilveren rand dan bij de man. De borst en buik zijn lichtbruin met een subtiele streepjespatroon. De snavel is iets korter en heeft een blekere gele kleur. De poten zijn grijsbruin en iets ruwer van structuur. De iris is oranje met een dunne, lichte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een dof bruin verenkleed met een vage, gestreepte nek. De vleugels zijn donkerder met een lichte rand aan de dekveren. De borst en buik zijn lichtbruin met een onregelmatig patroon. De snavel is korter en grijzer dan bij volwassenen. De poten zijn lichtgrijs met een zachte textuur. De iris is bleekgeel met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, witte donslaag. De snavel is kort en lichtgeel van kleur.