Bengalese Munia

Lonchura striata

Log in om deze soort toe te voegen

De Bengalese Munia (synoniem: Japanse meeuw of Spitsstaartbronzemannetje) behoort tot het geslacht Lonchura binnen de familie van Prachtvinken (Estrildidae).

Deze kleine zangvogel komt voor van het Indische subcontinent tot Zuidoost-Azi� en Zuid-China. Hij leeft in open bossen, graslanden, struikgewas en op landbouwgrond, vaak in de buurt van water. De vogel is gregair, trekt in groepen door het onderhout en voedt zich vooral met zaden, maar eet ook algen. Hij bouwt een ronde nest van gras en legt meestal drie tot acht eieren.

Japanse meeuw
White-rumped Munia
Japanisches M�vchen
Capucin domino

Taxonomische indeling

Bird Order
Zangvogels (Passeriformes)
Bird Family
Prachtvinken (Estrildidae)
Bird Genus
Lonchura

Ringmaat

Man 2.8 mm Vrouw 2.8 mm

Welzijnsadviezen

Overige vogels

De categorie overige vogels omvat een zeer brede en diverse groep vogelsoorten met uiteenlopende biologische, ecologische en gedragsmatige kenmerken. Vanwege deze grote variatie is het niet mogelijk om één uniforme set huisvestingsrichtlijnen op te stellen die voor alle soorten binnen deze categorie passend en verantwoord is.

Om die reden zijn er voor deze categorie geen specifieke, vastomlijnde richtlijnen geformuleerd. Bij het huisvesten van overige vogels dient altijd maatwerk te worden toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de soortspecifieke behoeften, natuurlijke leefwijze, sociale structuur en welzijnseisen van de betreffende vogels. Algemene principes van dierenwelzijn, veiligheid en verzorging blijven hierbij leidend.

Huisvestingsrichtlijnen waterpartij diep

Man:
De man heeft een overwegend grijsbruin verenkleed met een subtiele glans op de vleugels. De kop en nek zijn donkerder, met een lichte overgang naar de borst. De buik is iets lichter van kleur, met een zachte, matte uitstraling. De vleugels vertonen fijne, donkere bandering die bij versleten veren minder zichtbaar is. De snavel is kegelvormig en donkergrijs, zonder opvallende was. De poten zijn grijsachtig met een gladde structuur. De iris is donkerbruin, omgeven door een dunne, onopvallende oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder glans op de vleugels. De kop en nek zijn iets lichter, met een subtiele overgang naar de borst. De buik is egaal grijsbruin, zonder opvallende contrasten. De vleugels hebben een fijnere bandering die bij oudere vogels vervaagt. De snavel is iets lichter grijs dan bij de man, met een vergelijkbare vorm. De poten zijn lichtgrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een overwegend bruingrijze tint. De kop en nek zijn minder contrastrijk dan bij volwassen vogels. De borst en buik zijn egaal van kleur, zonder duidelijke aftekeningen. De vleugels vertonen een vage bandering die bij het ouder worden duidelijker wordt. De snavel is lichtgrijs en nog niet volledig ontwikkeld in vorm. De poten zijn bleekgrijs en hebben een gladde structuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is lichtgrijs en nog zacht van structuur.