Vogel
Witborstgrondduif
Witborstgrondduif
Pampusana jobiensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Witborstgrondduif behoort tot het geslacht Pampusana uit de familie van duiven (Columbidae)
.
De witborstgrondduif wordt gevonden in Nieuw-Guinea, de eilanden Bismarck en de Salomonseilanden. Zijn habitat bestaat uit subtropische en tropische vochtige laagland- en montane bossen. De vogel vertoont een opvallende verschijning met een donker, glanzend violet tot paarse kleur op de rug en vleugels, en een donkergrijze tot zwarte buik. De soort is een insiderspecies op de IUCN-lijst van minst zorgwekkende soorten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Pampusana
Ringmaat
Man 6.0 mm Vrouw 6.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor een optimaal welzijn van duiven is de inrichting van een passende leefomgeving noodzakelijk. De centrale aandachtspunten voor een verantwoorde verzorging en huisvesting betreffen de beschikbare ruimte, de nutritionele behoeften en het faciliteren van natuurlijk sociaal gedrag.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–8 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Sommige soorten hebben baat bij een vorstvrij of verwarmt verblijf.
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor vruchtenetende duiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor mineralen, grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een middelgrote grondduif van circa 28-30 cm lengte, met een vrij gedrongen bouw en korte staart. De kop en nek zijn donkergrijs tot leigrijs, met een lichtere, soms bijna zilverachtige keel. De borst is kastanjebruin, contrasterend met de grijzere bovenzijde en vuilwitte onderzijde. De rug en vleugels zijn diep bruinzwart, vaak met een zachte groene of paarse iriserende glans op de schouderveren. De staart is kort, donkergrijs met een lichtere eindband. De snavel is zwart, de poten zijn donkerrood, en de iris oranjerood, omringd door een smalle, bleke oogring.
Vrouw:
Het vrouwtje is overwegend doffer van kleur en mist de uitgesproken glans en het diepe kastanjebruin van het mannetje. De borst is lichter bruin, de rug en vleugels matter donkerbruin. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn uniformer bruin, met een meer vaalbruine borst en vuilwitte buik. De rug en vleugels tonen lichte randen waardoor een geschubd effect ontstaat. De kastanjeborst en iriserende glans ontbreken nog. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot roodachtig, en de iris zeer donker.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, bruin dons dat uitstekende camouflage biedt op de bosbodem. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris zwartbruin. Bij het uitvliegen verschijnen eerst eenvoudige bruine veren; de kastanjeborst en iriserende bovenzijde ontwikkelen zich pas later.